De kachel van hofstede Sparrenheuvel

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een bijzondere witte tegel van een kacheloven.

Faience decoratie profiel

Op de huidige locatie van het tegenwoordige Sparrenheuvel in Bloemendaal had in 1599 Gerrit Dircky Slinck een blekerij en een werf, genaamd De Mol. In 1639 vindt er een verkoop plaats op deze plek van een huis en blekerij aan Jan Suijerlant. In 1739 bouwde Johan Scheerenbergh uit Amsterdam de eerste fase van de op dat moment naamloze hofstede, tegenwoordig het middelste gedeelte van het huidige Sparrenheuvel. De beschrijving van het geheel in 1739 was als volgt: een seekere hofsteede, omvatte een heerenhuis, stallen en een koetshuis.

Toen mr. Willem Munter en Wendela Eleanore ten Hove in 1775 de hofstede kochten, gaven zij de hofstede naam Sparrenheuvel.  Tussen 1822 en 1847 waren herenhuis en tuin in bezit van de Amsterdamse Willem Hendrik Backer. Meteen na deze koop gaf Backer in 1825 opdracht aan architect en stedenbouwkundige Jan David Zocher jr. voor het uitbreiden van de hofstede met een aanbouw, haaks op het bestaande huis. Zocher ontwierp de neoclassicistische gevel met zuilen, die nog altijd kenmerkend is voor Sparrenheuvel.

In 1849 verkavelde men de hofstede. In 1868 werd het huis verkocht aan de Amsterdamse Ewald Bispinck. In 1836 had Ewald Bispinck, afstammeling van een Duits aristocratisch rooms-katholiek geslacht, zich in Amsterdam gevestigd. Hij huwde in 1848 met Anastasia Kundert en werd medefirmant in de firma Bispinck & Kundert. Ze woonden op het Rokin in Amsterdam. In 1875 besloot hij een eigen fabriek te beginnen. Deze kwam te staan op de zuidwesthoek van Sparrenheuvel, aan de Korte Kleverlaan en was bedoeld voor het verven, bleken en winden van garens. In 1899 werd de fabriek gesloten vanwege te hoge concurrentie met Engeland. Tot 1890 gebruikten de Bispincks Sparrenheuvel enkel als buitenplaats, vanaf dat jaar echter ging men er permanent wonen. Ewald Bispinck overleed in 23 april 1895 en liet de hofstede na aan zijn kinderen. Nadat in 1936 de laatste telg uit het geslacht Bispinck komt te overlijden werd Sparrenheuvel niet meer bewoond. Hofstede Sparrenheuvel kwam in 1936 in eigendom van De Bispinck Stichting. In 1942 werd tijdens de oorlog het huis door de bezetters gevorderd. Aan het eind van deze bezetting bleken alle meubels en kunstvoorwerpen gestolen te zijn. Het huis was uitgewoond en leeggeroofd. In 1972 verkoopt De Bispinck Stichting Sparrenheuvel aan Henk Moed die het in 1976 verkoopt aan de huidige eigenaar die er een makelaardij en kantoren in vestigt.

Archeologisch begeleiding
In 1990 vonden er graafwerkzaamheden aan de zuidoostzijde van Sparrenheuvel plaats. Deze waren noodzakelijk in verband met nieuwbouw van het Bispinckpark op deze plek. De  graafwerkzaamheden werden deze archeologisch begeleid door Theo Nieuwenhuizen, lid van de Archeologische Werkgroep Haarlem e.o.. Tijdens deze begeleiding werden de verschillende houten afvoergoten uit de blekersperiode gevonden en gedocumenteerd.

Kachelfragment
Een bijzondere vondst was een wit kachelfragment die in de voormalige vijver achter het pand werd gevonden. Het betreft een decoratief profiel van faience. Faience is aardewerk, gemaakt van witbakkend klei met een laag witte tinglazuur. Bijzonder is de decoratie in de vorm van een zogenaamde eierlijst. Een eierlijst is een decoratief profiel in de vorm van een reeks eivormige figuren, meestal afgewisseld met pijlpunt of tong. Eierlijsten werden vaak toegepast in de Griekse en Romeinse bouwkunst, vooral bij Ionische kapitelen, en later in de renaissance. Een leuk detail over deze kacheltegel is een historisch gegeven over het interieur van het pand.Maria Nieuwenhuys-Lindner (1912-2008) verbleef als kind vaak bij haar oudooms en – tantes op Sparrenheuvel. In een brief aan haar kleindochter beschrijft ze de kachel waarvan deze tegel deel uitmaakte als een ‘ prachtige, witte hoge vierkante porselein kachel ‘. Deze stond in de biljartkamer, de grote kamer aan het einde van de gang, recht tegenover de ingang.

Warmtebron
Tegelkachels zijn ontstaan in Centraal Europa in de 12de en 13de eeuw. Later verbreidde het gebruik ervan zich uit over Noordwest-Europa. In de Middeleeuwen verwarmde men zich in de meeste huizen bij een open vuur op de vloer of in de wandschouw. Daarnaast kwam ook een gesloten warmtebron, de uit tegels van aardewerk gemetselde kachel in gebruik. De voordelen van de tegelkachel waren: afwezigheid van hinderlijke rook, een gelijkmatiger verspreiding van de warmte en een economischer brandstofverbruik. Maar daar hing dan wel een prijskaartje aan, want de vervaardiging was heel duur. Daarom treffen we ze in de 12de en 13de eeuw vooral aan in adellijke behuizingen. Behalve in adellijke woongebouwen zoals burchten en kastelen, zijn ook resten van tegelkachels in abdijen, herenhuizen, en in belangrijke stedelijke en openbare gebouwen gevonden.

Een tegelkachel

Een kacheltegel uit Huis ter Kleef

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een kacheltegel.

Het kasteel Huis ter Kleef was in 1572 en 1573 het hoofdkwartier van de Spanjaarden tijdens het Beleg van Haarlem. In 1573 werd het kasteel opgeblazen door Don Frederik (de zoon van de hertog van Alva). Dit deed hij om te voorkomen dat de Geuzen zich in het kasteel zouden vestigen om Haarlem te heroveren. Tijdens archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw is een deel van de gracht opgegraven. Toen kwamen tussen een enorme berg scherven, een paar stukken van een kacheltegel tevoorschijn, die eenmaal aan elkaar gepast, een bijna complete tegel vormden.

Warmtebron
Tegelkachels zijn ontstaan in Centraal Europa in de 12de en 13de eeuw. Later verbreidde het gebruik ervan zich uit over Noordwest-Europa.In de Middeleeuwen verwarmde men zich in de meeste huizen bij een open vuur op de vloer of in de wandschouw. Daarnaast kwam ook een gesloten warmtebron, de uit tegels van aardewerk gemetselde kachel in gebruik. De voordelen van de tegelkachel waren: afwezigheid van hinderlijke rook, een gelijkmatiger verspreiding van de warmte en een economischer brandstofverbruik. Maar daar hing dan wel een prijskaartje aan, want de vervaardiging was heel duur. Daarom treffen we ze in de 12de en 13de eeuw vooral aan in adellijke behuizingen. Behalve in adellijke woongebouwen zoals burchten en kastelen, zijn ook resten van tegelkachels in abdijen, herenhuizen, en in belangrijke stedelijke en openbare gebouwen gevonden.

Vervaardiging
De tegelkachels bestonden uit een onderbouw waarin het vuur werd gestookt en een bovenbouw die de uitstraling van de warmte verhoogde. Ze werden met de achterzijde tegen een muur geplaatst en van brandstof voorzien door een opening in de wand. Dit gebeurde vanuit een aangrenzend vertrek, bijvoorbeeld de keuken of een buitenplaats. Via deze weg werd ook de rook afgevoerd. Vroege kachels waren opgebouwd uit eenvoudige steen- en mortelmetselwerk waarin ronde potten van aardewerk werden ingemetseld. Op deze wijze vergrootte men de warmteuitstraling. In de tweede helft van de 14de eeuw kwam de nistegel in productie. In de loop van de 15de eeuw onderging de nistegel een verfijning door middel van een open siergevel van vormsnijwerk die vaak ontleend werd aan de laatgotische architectuur.

Reliëftegel
Rond 1500 werd de nistegel geleidelijk verdrongen door de reliëftegel, ook wel paneeltegel genoemd. Op dit soort tegels was het makkelijker om reliëfvormen en polychroom beschilderde decoraties aan te brengen. De tegel uit Huis ter Kleef is zo’n paneeltegel. Op de achterzijde zijn behalve roetsporen ook vaak nog de afdruk van een doek zichtbaar die men gebruikte om de tegel van de mal te scheiden. Dit is ook te zien op de Kleefse tegel. Gebruikte men in de 14de en 15de eeuw voornamelijk groen- en in mindere mate geelkleurig loodglazuur, aan het einde van de 15e eeuw lukte het de tegelbakkers ook witte, zwarte, blauwe, paarse, oranje en bruine kleuren te verkrijgen. Groenkleurig loodglazuur werd echter het meest toegepast.

Decoratie en symboliek
De ontwerpers van kacheltegels gebruikten beeldmateriaal uit hun tijd zoals houtsneden en etsen en gravures. Aan de afbeeldingen lag vaak een symbolische betekenis ten grondslag. Ze werden versierd met blad- en bloemmotieven, dieren en fabeldieren, heraldische afbeeldingen, heiligen, krijgslieden en edelen (minneparen). In de 16de eeuw waren voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament populair.
De kacheltegel van Huis ter Kleef heeft veel van het dekkende glazuur over de witbakkende klei verloren. Gelukkig is nog wel het reliëf van de decoratie te zien. Op een soortgelijke tegel, die in Utrecht gevonden is en ca. 1500 gedateerd wordt, is duidelijker te zien hoe de Kleefse kacheltegel er uit zag. De tegel heeft een architectonisch kader in de stijl van de late gotiek. Op de gedraaide zuiltjes bevindt zich een pinakel. Binnen dit kader bestaat de versiering uit distels binnen een gotische boog. De twee distelranken kruisen elkaar en eindigen in twee paar tegenover elkaar liggende bloemen. Beneden omsluiten de ranken het initiaal IHS. Helemaal onderaan bevind zich een rand waarop een golvende bladrank voorkomt.

Ook in Keulen is een soortgelijke tegel gevonden. Er zijn een paar kleine verschillen. Op de Keulse tegel komen ook sterretjes voor, en de letters IHS staan in spiegelbeeld. In Keulen zijn ook soortgelijke tegels gevonden met de letters MA. Dit staat voor Maria. Het motief van de distelrank op keramiek en kacheltegels komt in Keulen sinds omstreeks 1500 voor.

De distel is het symbool van het lijden op aarde en de zonde, vanwege de vervloeking van Adam door God (Genesis 3 : 17-18) “… is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten.”. De distel is een stekelige plant en vanwege het verband met de doornen in de passage hierboven, is het ook een symbool geworden voor het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon).

IHS
Het monogram IHS is de weergave van de eerste drie letters van Jezus in Griekse hoofdletters. In de loop der tijden werd het Grieks verdrongen door het Latijn. Men herkende in IHS geen Griekse letters meer, maar meende te maken te hebben met een Latijnse afkorting. Bijvoorbeeld Iesus Hominum Salvator’ (= Jezus de redder van de mensen). Een andere verklaring is In Hoc Signo [vinces], in dit teken [zult ge overwinnen], een verwijzing naar de droom van de Romeinse keizer Constantijn. Volgens de legende zag hij vóór de belangrijke slag bij de Milvische brug in een visioen een kruis, wat ertoe leidde dat hij zich na de overwinning tot het christendom bekeerde. Toen in de late Middeleeuwen de Jezusdevotie een grote vlucht nam, onder invloed van Bernardus van Clairvaux en Franciscus van Assisi gebruikte men het monogram graag als herkenningsteken. Vooral de H. Bernardinus van Siena [1380-1444) droeg ertoe bij. In zijn preken spoorde hij zijn toehoorders aan om de naam van Jezus te verspreiden. Letterlijk, op de gevel van hun woning en binnenshuis, als teken dat de bewoner Jezus in zijn hart had.

Bij Huis ter Kleef zijn verder geen kacheltegels of fragmenten van kacheltegels gevonden. Mogelijk zijn bij de afbraak van het kasteel de resten van de kachel met het bouwpuin afgevoerd. Individuele tegels kunnen wel secundair gebruikt zijn als decoratie en nog lange tijd de woonkamer hebben opgesierd.