Koken in de middeleeuwen

Tijdens het archeologisch onderzoek van het kasteel Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin (1990-1994), zijn massa’s scherven keramiek gevonden. Veel van deze scherven zijn afkomstig van de potten en pannen die voor de voedselbereiding en het tafelen werden gebruikt.

Keukengerei
In de middeleeuwen werd het eten meestal in keukengerei van keramiek bereid. Keukengerei van metaal, zoals grapen (kookpotten), ketels en braadpannen waren erg duur en daarom zag je deze voorwerpen vooral bij de welgestelden en niet bij de gewone man. Zo zou het bezit van een boerenfamilie bijvoorbeeld kunnen bestaan uit kookpotten van keramiek, een paar houten nappen en schalen. Metalen keukengerei wordt echter niet vaak aangetroffen tijdens archeologisch onderzoek. Zo kennen we van Huis ter Keef slechts enkele fragmenten van metalen kookpotten. Het metaal was minder breukgevoelig en kon daarnaast als grondstof worden hergebruikt. Keramiek breekt daarentegen makkelijk en werd dan weggeworpen. De vele honderden kilo’s scherven uit de gracht van Huis ter Kleef illustreren dat er nog wel eens een potje tijdens het koken, tafelen of afwassen brak!

Koken, bakken en tafelen
Koken deed men lange tijd op een open vuur. Er werd een ketel van metaal boven het vuur gehangen, of er werd een grape bij het brandende hout/kolen gezet. Men kookte zo eenpansgerechten. De vuurplaats was in eerste instantie vaak in het midden van de ruimte, zodat deze werd mee verwarmd. Stenen huizen en kloosters kenden gemetselde schouwen tegen de wand, met een schoorsteen voor de rookafvoer naar buiten.
Naast koken werd ook gegrild, gerookt en in de oven gebakken. De oven werd eerst van binnen met takkenbossen warm gestookt. Daarna werd de oven schoongeveegd en vervolgens werden er broden in gebakken. Deze hadden de hoogste temperatuur nodig. Na het bakken van de broden was de temperatuur van de oven gedaald en werden er etenswaar in gebakken die niet zoveel warmte nodig hadden, bijvoorbeeld pasteien of taarten.
Het eten werd vervolgens op grote schalen opgediend en gezamenlijk opgegeten. Broodpap en soep gingen in kommen die men eveneens deelde. Van oudsher werd brood gebruikt om van te eten. Tijdens de maaltijden werden ook vaak de lepels gedeeld.

Ontwikkelingen
De middeleeuwen beslaan een periode van 1000 jaar. Kan je dan nog over een middeleeuwse keuken spreken? En is het logisch om over zo’n lange periode over één type keuken te spreken? Als je bedenkt dat er in deze periode weinig verandering was in de manier waarop men kookte, is het niet verwonderlijk dat heel lang min of meer op de dezelfde manier werd gegeten en dezelfde gerechten werden bereid. Er was geen ontwikkeling in de gerechten. Met andere woorden, naarmate de middeleeuwen vorderde zie je nauwelijks vooruitgang in de kookkunst. Het karakter en de verfijning van de gerechten werd bepaald door de kringen waarvoor het gerecht bedoeld was. Je zou kunnen zeggen dat de sociale achtergrond werd weerspiegeld in de gerechten die men at.

Smaak
Om de smaak van de middeleeuwse keuken te begrijpen moet naar de kookkunst van het Romeinse Rijk worden gekeken omdat deze nog lang na het verval van het Romeinse Rijk zijn invloed heeft behouden. De Romeinse smaak was hartig en gekruid met kruiden uit het Middellandse zeegebied. De gerechten waren mild van smaak. De scherpe specerijen uit Oost Azië werden vrijwel niet gebruikt.
Sinds de Karolingische tijd heeft de smaak zich sterk veranderd. De handel van Venetië met het Oosten is hier voor verantwoordelijk. In de 10de en 11de eeuw waren de schepen klein en de meeste winst was te behalen met niet veel plaats innemende artikelen die ten gevolge van hun zeldzaamheid heel kostbaar waren. De Aziatische specerijen voldeden hier aan. Deze werden vanuit het Oosten naar Klein-Azië gebracht en verder met schepen naar Venetië. Van hieruit werden ze over het land naar het noorden verhandeld, waar ze op de jaarmarkten werden geruild voor bijvoorbeeld Vlaams laken. Het gaat hier om bijvoorbeeld foelie, kruidnagel en een artikel uit Klein- Azië, saffraan. Een ander luxe product uit het Oosten, dat sinds de kruistochten in West -Europa gangbaar werd is de rietsuiker. Dit heeft gemaakt dat de middeleeuwse keuken, in tegen stelling tot de romeinse keuken, rijke stevige smaken heeft ontwikkeld zoals zuur en zoet en dat de gerechten stevig gekruid zijn.

Kookboeken
Het is niet bekend hoe nu precies de specerijen de smaak langzamerhand ingrijpend hebben beïnvloed en veranderd. Wat wij over recepten uit de middeleeuwen weten, is afkomstig uit kookboeken van de 14de en 15de eeuw. Van de periode voor de 14de eeuw ontbreken de kookboeken. Het eerste beroemdste kookboek was van de opperkok van de Franse koning Karel V. Dit dateerde uit omstreeks 1370. Het oudste kookboek uit de Nederlanden is uit 1510 genaamd Een notabel boexcken van cokeryen.

Rijk en arm
Wij hebben dus vooral een beeld wat de rijken aten. Op tafel van de rijken kwamen de meest lekkere gerechten terecht zoals pasteien gevuld met vis of vlees en iedere maaltijd bestond uit meerdere gangen. Over hoe de plattelands- en stadsbevolking zich heeft gevoed is niet veel te zeggen omdat daarover veel informatie ontbreekt. Dat de gewone man niet altijd kon rekenen op een gevarieerde maaltijd is zeker. Men kan vermoeden dat zij brood, graanpap, reuzel, worst en vis aten. Eventueel aangevuld met groenten zoals uien en kool. Waarschijnlijk werd er weinig tot geen fruit gegeten omdat dit niet als gezond werd beschouwd. Archeologische vondsten zouden hier een aanwijzing kunnen geven uit de botten en pitten die gevonden worden.

Eetpatroon
Zowel rijk als arm at twee keer per dag. Aan het einde van de ochtend en aan het einde van de dag. Verder werden de kerkelijke voorschriften gevolgd zoals de vastentijd voor Pasen (geen vlees en geen zuivel) en geen vlees op de vrijdag. Er werd dus veel vis gegeten en eieren. Als bijgerecht was brood belangrijk. Wit brood bij de welgestelden en roggebrood bij de armen. Melk werd niet gedronken. Hier werd kaas en boter van gemaakt. Wijn werd alleen door de rijken gedronken en bier door zowel de armen en de rijken. Kinderen begonnen er al op jonge leeftijd mee.

Voor de middeleeuwen kan je dus zeker zeggen ”de mens toont wie hij is door wat hij eet”.

Alweer een walvisbot aangetroffen in Bloemendaal!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een walvisbot.

In het najaar van 2018 vonden er op het landgoed Leyduin in de gemeente Bloemendaal grondwerkzaamheden plaats ten behoeve van de herinrichting van het landgoed. Dit betrof voornamelijk de aanleg van nieuwe toegangspaden, een nieuwe oeverovergang aan de noordzijde van de Kromme Vaart en een tweetal vijvers om amfibieën te laten overwinteren. De ontgraving van de vijvers is door een lid van onze werkgroep archeologisch begeleid. Tijdens het ontgraven van een van de vijvers werden een aantal fragmenten van een walvisbot aangetroffen. Dit is de tweede keer dat in de gemeente Bloemendaal zo’n walvisbot is aangetroffen.

Spek en walviskaken
Het is bekend uit historische bron dat walvisvaarders in de 17e eeuw na het verwijderen van het spek ook de walviskaken mee terug naar huis namen. Tevens is bekend dat er vanaf de 16e eeuw meldingen zijn van een aantal strandingen, voornamelijk van potvissen. Kaken waren van potvissen waren meestal tussen de 3.00 en 4.00 meter lang en voorzien van 40 tot 50 grote kogelvormige zwaar ivoren tanden. Deze tanden werden door de zeelieden gegraveerd en van prachtige taferelen voorzien. Ook werden er sier- of gebruiksvoorwerpen van de tanden gemaakt.
Aan boord van het schip of aan land werd aan de onderzijde van het walvisbot een aantal gaten geboord om de zogenaamde ‘kneekolie’ te verzamelen. Deze olie was zeer geschikt als lampolie.

In een van de aangetroffen walvisbotfragmenten werd een boorgat aangetroffen. Dit gat is aangebracht om kneekolie te winnen.

Van schuurpaal tot toegangspassage
De walviskaken afkomstig van walvisvaarders en die van gestrande walvissen werden verkocht en gebruikt als schuurpalen voor het vee, grenspalen en als toegangspassage bij boerderijen en buitenplaatsen. De aangetroffen fragmenten van het walvisbot op het Landgoed Leyduin kunnen onderdeel zijn geweest van een erfafscheiding, toegangspoort of ‘schuurpaal’ voor het vee. De locatie van het gevonden bot maakte in de 17e eeuw onderdeel uit van de buitenplaats.

Locatie aangetroffen walvisbot in het rode omcirkeld gebied (midden, boven). Fragment uit de kaart uit 1687 van Dou en Van Broeckhuysen, collectie Hoogheemraadschap Van Rijnland, A-4302.

Buitenplaats Vreedelust
In 1996 werd bij grondwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouwwijk het Bleekersveld te Overveen reeds een fragment van een walvisbot aangetroffen. (zie ook Haarlems bodemonderzoek nr. 35). In het bot zaten eveneens boorgaten om de kneekolie te winnen. De ouderdom van het bot is aan de hand van de C-14 methode (ouderdomsbepaling aan de hand van koolstof) gedateerd in de 18e eeuw. Na historisch onderzoek van het gebied bleken deze gronden in de 18e eeuw onderdeel te zijn geweest van de buitenplaats Vreedelust, later geheten Het Anker, gelegen aan de Bloemendaalseweg. Het fragment van het aangetroffen bot/kaak zou onderdeel geweest kunnen zijn van de walviskaken op onderstaande prent.

Een tekening door J.W.Hasselt uit 1816 van de Blauwselfabriek ‘Het Anker, voorheen was hier de buitenplaats Vreedelust gevestigd, mogelijk waren de walviskaken hier een restant van. Noordhollands Archief, Atlas 36/23

 

Gebrandschilderd glas

De naam zegt het al; gebrandschilderd glas is vensterglas dat is beschilderd met een verfsoort, grisaille genaamd, dat door verhitting op het glas werd inbrand. Gebrandschilderd glas komt al voor sinds de middeleeuwen maar was voor de gewone man onbetaalbaar om aan te schaffen. Alleen in geestelijke instellingen en door rijke personen werd het gebruikt.

Mode
In afgelopen eeuwen vonden veel mensen het gebrandschilderd glas vaak oubollig en het hield ook licht tegen. Er werd vaak voor gekozen om de fraaie glaspanelen te vervangen voor kleurloos glas. Veelal werd het glas in lood uit de sponning gehaald, waarbij het glas werd stukgeslagen en het lood werd verzameld, want hier had je immers nog wat aan. Je kon er vislood van gieten of het lood verkopen bij de ijzerboer. Ook het glas werd verzameld en weer omgesmolten.

Glasvondsten
Een enkele keer wordt bij een opgraving dergelijk glaswerk aangetroffen, soms in enorme hoeveelheden, zoals in Roermond, waar een 1.200 kilo glas werd geborgen uit een kelder, en in Alkmaar 200 kilo uit een tonput. In mindere kilo’s werden ook vondsten gedaan in Zutphen en Oldenzaal. Vondsten van gebrandschilderd glas zijn in Haarlem zelden gevonden. Tot nu toe zijn in 50 jaar tijd maar twee complexen opgegraven, waarbij meerdere stukken van dit glas werden aangetroffen. Bij de opgraving Huis ter Kleef in de jaren 1990-1994 werden wat fragmenten aangetroffen uit de 15e eeuw en tijdens onderzoek in 1970 in de Frankenstraat zijn fragmenten uit de 17e eeuw gevonden.

Verwering
Soms is het glas niet aangetast door het lange verblijf in de grond en zijn de kleuren en beschildering in goede conditie. Maar als het glas is verweerd is het ondoorzichtig geworden en zelfs met een sterke lamp erachter kan vrijwel niets meer van de brandschildering worden waargenomen.

Strijklicht
Een goede manier om de brand-beschildering toch te bekijken en digitaal vast te leggen is om het glas wat schuin te houden waardoor met strijklicht van zon of lamp de contouren van de beschildering zichtbaar worden. Daar waar de grisaille is ingebrand is het glas dof, de rest van het glasoppervlak heeft wat glans gekregen door het strijklicht.

Gruis
Maar soms is het glas dusdanig aangetast dat het na verloop van tijd uiteenvalt in een hoopje klein gruis en vele glittertjes. We kunnen hier toch niet veel tegen doen, als we het glas impregneren zal in veel gevallen de grisaille-tekening wegvallen…

Europa uit de grond! Open Monumentendag op Huis ter Kleef

Op zaterdag 8 september laten de leden van de Archeologische Werkgroep Haarlem (AWH) u met andere ogen naar het kasteel Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin kijken. Van steengoed kannen uit Duitsland en België tot glas uit Venetië en munten uit Engeland. Uit de grond van de Haarlemmer Kweektuin zijn voorwerpen uit alle windstreken van Europa gevonden. En wat te denken van de Engelse en Franse voorbeelden voor de bouw van het kasteel Huis ter Kleef zelf, en het Franse ‘Jeu de Paume’ dat de heren va Brederode in hun eigen kaatsbaan speelden? De Haarlemmer Kweektuin is veel Europeser dan je denkt!

Van 10.00 tot 16.00 uur wordt in de Haarlemmer Kweektuin door de leden van de AWH het Europese verhaal van het kasteel Huis ter Kleef en de opgegraven voorwerpen verteld. Kom langs en bekijk onze stand met vondsten!

 

 

 

Een kacheltegel uit Huis ter Kleef

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een kacheltegel.

Het kasteel Huis ter Kleef was in 1572 en 1573 het hoofdkwartier van de Spanjaarden tijdens het Beleg van Haarlem. In 1573 werd het kasteel opgeblazen door Don Frederik (de zoon van de hertog van Alva). Dit deed hij om te voorkomen dat de Geuzen zich in het kasteel zouden vestigen om Haarlem te heroveren. Tijdens archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw is een deel van de gracht opgegraven. Toen kwamen tussen een enorme berg scherven, een paar stukken van een kacheltegel tevoorschijn, die eenmaal aan elkaar gepast, een bijna complete tegel vormden.

Warmtebron
Tegelkachels zijn ontstaan in Centraal Europa in de 12de en 13de eeuw. Later verbreidde het gebruik ervan zich uit over Noordwest-Europa.In de Middeleeuwen verwarmde men zich in de meeste huizen bij een open vuur op de vloer of in de wandschouw. Daarnaast kwam ook een gesloten warmtebron, de uit tegels van aardewerk gemetselde kachel in gebruik. De voordelen van de tegelkachel waren: afwezigheid van hinderlijke rook, een gelijkmatiger verspreiding van de warmte en een economischer brandstofverbruik. Maar daar hing dan wel een prijskaartje aan, want de vervaardiging was heel duur. Daarom treffen we ze in de 12de en 13de eeuw vooral aan in adellijke behuizingen. Behalve in adellijke woongebouwen zoals burchten en kastelen, zijn ook resten van tegelkachels in abdijen, herenhuizen, en in belangrijke stedelijke en openbare gebouwen gevonden.

Vervaardiging
De tegelkachels bestonden uit een onderbouw waarin het vuur werd gestookt en een bovenbouw die de uitstraling van de warmte verhoogde. Ze werden met de achterzijde tegen een muur geplaatst en van brandstof voorzien door een opening in de wand. Dit gebeurde vanuit een aangrenzend vertrek, bijvoorbeeld de keuken of een buitenplaats. Via deze weg werd ook de rook afgevoerd. Vroege kachels waren opgebouwd uit eenvoudige steen- en mortelmetselwerk waarin ronde potten van aardewerk werden ingemetseld. Op deze wijze vergrootte men de warmteuitstraling. In de tweede helft van de 14de eeuw kwam de nistegel in productie. In de loop van de 15de eeuw onderging de nistegel een verfijning door middel van een open siergevel van vormsnijwerk die vaak ontleend werd aan de laatgotische architectuur.

Reliëftegel
Rond 1500 werd de nistegel geleidelijk verdrongen door de reliëftegel, ook wel paneeltegel genoemd. Op dit soort tegels was het makkelijker om reliëfvormen en polychroom beschilderde decoraties aan te brengen. De tegel uit Huis ter Kleef is zo’n paneeltegel. Op de achterzijde zijn behalve roetsporen ook vaak nog de afdruk van een doek zichtbaar die men gebruikte om de tegel van de mal te scheiden. Dit is ook te zien op de Kleefse tegel. Gebruikte men in de 14de en 15de eeuw voornamelijk groen- en in mindere mate geelkleurig loodglazuur, aan het einde van de 15e eeuw lukte het de tegelbakkers ook witte, zwarte, blauwe, paarse, oranje en bruine kleuren te verkrijgen. Groenkleurig loodglazuur werd echter het meest toegepast.

Decoratie en symboliek
De ontwerpers van kacheltegels gebruikten beeldmateriaal uit hun tijd zoals houtsneden en etsen en gravures. Aan de afbeeldingen lag vaak een symbolische betekenis ten grondslag. Ze werden versierd met blad- en bloemmotieven, dieren en fabeldieren, heraldische afbeeldingen, heiligen, krijgslieden en edelen (minneparen). In de 16de eeuw waren voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament populair.
De kacheltegel van Huis ter Kleef heeft veel van het dekkende glazuur over de witbakkende klei verloren. Gelukkig is nog wel het reliëf van de decoratie te zien. Op een soortgelijke tegel, die in Utrecht gevonden is en ca. 1500 gedateerd wordt, is duidelijker te zien hoe de Kleefse kacheltegel er uit zag. De tegel heeft een architectonisch kader in de stijl van de late gotiek. Op de gedraaide zuiltjes bevindt zich een pinakel. Binnen dit kader bestaat de versiering uit distels binnen een gotische boog. De twee distelranken kruisen elkaar en eindigen in twee paar tegenover elkaar liggende bloemen. Beneden omsluiten de ranken het initiaal IHS. Helemaal onderaan bevind zich een rand waarop een golvende bladrank voorkomt.

Ook in Keulen is een soortgelijke tegel gevonden. Er zijn een paar kleine verschillen. Op de Keulse tegel komen ook sterretjes voor, en de letters IHS staan in spiegelbeeld. In Keulen zijn ook soortgelijke tegels gevonden met de letters MA. Dit staat voor Maria. Het motief van de distelrank op keramiek en kacheltegels komt in Keulen sinds omstreeks 1500 voor.

De distel is het symbool van het lijden op aarde en de zonde, vanwege de vervloeking van Adam door God (Genesis 3 : 17-18) “… is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten.”. De distel is een stekelige plant en vanwege het verband met de doornen in de passage hierboven, is het ook een symbool geworden voor het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon).

IHS
Het monogram IHS is de weergave van de eerste drie letters van Jezus in Griekse hoofdletters. In de loop der tijden werd het Grieks verdrongen door het Latijn. Men herkende in IHS geen Griekse letters meer, maar meende te maken te hebben met een Latijnse afkorting. Bijvoorbeeld Iesus Hominum Salvator’ (= Jezus de redder van de mensen). Een andere verklaring is In Hoc Signo [vinces], in dit teken [zult ge overwinnen], een verwijzing naar de droom van de Romeinse keizer Constantijn. Volgens de legende zag hij vóór de belangrijke slag bij de Milvische brug in een visioen een kruis, wat ertoe leidde dat hij zich na de overwinning tot het christendom bekeerde. Toen in de late Middeleeuwen de Jezusdevotie een grote vlucht nam, onder invloed van Bernardus van Clairvaux en Franciscus van Assisi gebruikte men het monogram graag als herkenningsteken. Vooral de H. Bernardinus van Siena [1380-1444) droeg ertoe bij. In zijn preken spoorde hij zijn toehoorders aan om de naam van Jezus te verspreiden. Letterlijk, op de gevel van hun woning en binnenshuis, als teken dat de bewoner Jezus in zijn hart had.

Bij Huis ter Kleef zijn verder geen kacheltegels of fragmenten van kacheltegels gevonden. Mogelijk zijn bij de afbraak van het kasteel de resten van de kachel met het bouwpuin afgevoerd. Individuele tegels kunnen wel secundair gebruikt zijn als decoratie en nog lange tijd de woonkamer hebben opgesierd.

Kannen met baarden!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een baardman kan.

Onder de vele scherven die tijdens de opgraving van het Huis ter Kleef (1990-1994) zijn gevonden waren ook fragmenten van een bijzonder type kan, namelijk baardmannen. Dit zijn kannen uit de 16e eeuw tot en met de 18e eeuw, met op de hals een bebaard gezicht. De kan zelf kent verschillen van vorm; klein en bol of langgerekt met brede of smalle hals. Verder komen er ook andere versieringen voor op de buik, zoals acanthusblaadjes, medaillons etc. Dit is afhankelijk van de productieplaats en de ouderdom van de kan.

Huis ter Kleef
Een van de baardmankannen van Huis ter Kleef betreft een fraaie witte baardman kan. De kan is gemaakt in het Duitse Siegburg en dateert uit de periode 1550-1573. De kan is gedecoreerd met portret medaillons en acanthusblaadjes en een decoratieve band op de buik. En uiteraard is de kan van een fraai baardman-masker voorzien. De kan is vrijwel intact. Alleen het oor van de kan ontbreekt.

Herkomst
De baardmankannen komen uit het Rijnland, met name uit Keulen, Frenchen, Raeren en Sieburg. Een kan moet van hard en niet poreus materiaal zijn. Om deze harde structuur te krijgen werden de kannen op een hoge temperatuur van 1200-1400 graden Celsius gebakken. Niet iedere kleisoort is hiervoor geschikt. In het Rijnland, rondom Keulen, werd wel de goede klei soort aangetroffen.

Brandgevaar en oorlog
Van 1540- 1560 werden de pottenbakkers vanwege brandgevaar, produceren van giftige gassen en mogelijk ook op religieuze gronden uit Keulen geweerd en zijn naar het nabij gelegen Frenchen getrokken. Omdat de pottenbakkers in Frenchen op de zelfde wijze bleven produceerden is het moeilijk om het verschil te zien tussen de kannen gemaakt in Keulen of die uit Fenchen.
Onder invloed van oorlogsgeweld zijn rond 1600 de pottenbakkers opnieuw verhuisd. Dit keer naar Stadlohn en Vreden in West-Munsterland. Hier werd de productie van baardmankannen voortgezet. De productie in Frenchen is echter niet gestopt. In Frenchen zijn dan ook de meeste kannen gemaakt.

Productie
Na het draaien en drogen van de kannen werden de baardman-gezichten en de andere decoraties op de kannen aangebracht. Met behulp van een matrijs/mal krijgt een plakje klei de vorm van het gezicht. Dit gezicht werd met behulp van dunne kleipap op de hals van de kan geplakt. Op dezelfde wijze werden versieringen als bladranken en medaillons aangebracht. Daarna werden de kannen gebakken. Soms werd op de ongebakken kruik nog een dunne kleipap (engobe) aangebracht. Het resultaat was een egaal bruin gekleurde kan. De baardmankannen zijn voorzien van een zoutglazuur (NaCl). Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw werden met behulp van kobalt ook blauwe accenten aangebracht.

Wie o wie?
Op de vraag of het gezicht op de kannen een bepaalt persoon voorstelt is niet een definitief antwoord te geven. Wel zijn er een aantal suggesties:

Bellarminus of de hertog van Alva
De naam van Robertus Bellarminus (1542-1621), jezuïet en docent te Leuven en Rome wordt wel genoemd. Omdat hij als fel verdediger van de katholiek kerk zich keerde tegen het protestantisme en drank misbruik, zou zijn gezicht op de kan bedoeld zijn om hem belachelijk te maken. Opmerkelijk is dat in het Engels de baardman kan ‘bellamine’ wordt genoemd. Het is wel jammer dat de baardmankannen al ruim veertig jaar werden gemaakt voordat Robertus Bellarminus werd geboren.
Als andere mogelijkheid, die wordt wordt geopperd is dat de kannen de hertog van Alva (1507-1582) moesten bespotten. Ook hier geld weer dat de kannen er al waren voordat Alva door koning Phillips II als landvoogd naar de Nederlanden werd gestuurd.

Karel de Grote of wildeman
Sommige vergelijken de baardman kannen met de afbeelding van Karel de Grote op een reliekenbuste, die in Aken wordt bewaard. Karel de Grote wordt hier afgebeeld met een kort golvende baard en een strak gezicht overeenkomend met het gezicht op de kannen. Een andere suggestie is dat het bebaarde gezicht op de kan Christus moet voorstellen. Er zijn kannen met drie koppen op de hals, dit zou verwijzen naar de goddelijke drie eenheid. Een totaal andere verklaring is dat het gezicht op de kan de wildeman voorstelt. De wildeman, een mythische creatie met het uiterlijk van een mens maar dan geheel behaard, die een primitief leven leidde in de natuur, was als afbeelding erg populair in de middeleeuwse kunst.

Puntneus kannen
Als afsluiting moet hier nog de puntneus kan worden genoemd. Deze wordt gezien als de voorloper van de baardman kan. Beide kannen verschillen in de vorm van het gezicht. De gezichtjes van de puntneus kan zijn geboetseerd in plaats van met een mal aangebracht.

Niets zo Haarlems als haarlemmerolie!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het haarlemmerolie flesjes.

Niets zo Haarlems als de haarlemmerolie, een huismiddel dat vooral in de herfst- en wintermaanden verlichting kan brengen bij verkoudheid, koorts en griep. Maar het werd vroeger ook bij ernstiger zaken gebruikt zoals nierstenen en open wonden, het middel werd in 1696 uitgevonden door de schoolmeester Claas Tilly en wordt nog steeds vervaardigd en verkocht onder de naam C. de Koning Tilly.

Flesjes
Het middel werd in de beginperiode aan huis verkocht en pas later in de bekende haarlemmerolie flesjes. Deze flesjes zijn in de periode 1900- 1940 in groten getale vervaardigd, gevuld en verkocht. Het middel kreeg grote bekendheid en in diverse landen was er vraag naar, zoals Duitsland, Italië, Spanje en zelfs tot in Brazilië toe. En juist deze flesjes worden regelmatig tijdens opgravingen aangetroffen. De buisvormige flesjes werden in de beginperiode voorzien van etiket en de monding werd afgesloten met een nat stukje varkensblaas. Na droging zette het stukje varkensblaas zich vast. Als extra versteviging ging hier nog een touwtje omheen. Later gebruikte men kurkjes of schroefdopjes.

Concurrenten
De flesjes werden in het begin in de gebruiksaanwijzing verpakt en vanaf de jaren dertig in een kartonnen doosje. Voor wie het kon betalen waren er ook eer fraaie blikken beschikbaar waarin de flesjes werden verpakt. Maar behalve de glazen flesjes waren al deze verpakkingen vergankelijk. De concurrenten van het haarlemmerolie merk C. de Koning Tilly roken geld en probeerde het middel na te maken en op de markt te brengen. Men plakte de naam Tilly achter hun eigen fabrieks- of handelsnaam. Het flesje werd nagemaakt met naam en al en voorzien van een etiket. Enkele concurrenten waren Waaning- Klaas- en G. de Koning Tilly. De laatste veranderde de C in een G en vestigde zich nota bene tegenover de fabriek van de echte haarlemmerolie fabrikant in de Antoniestraat, vroeger de Achterstraat geheten. Maar de concurrenten mochten de naam Tilly niet gebruiken en er werden dan ook veel processen door de echte C. de Koning Tilly aangespannen. Het meest aardige voorbeeld is de maar enkele maanden bestaande fabriek geweest onder de naam C. de Koning en Tilli. Bij navraag bleek de heer De Koning timmermansknecht van beroep en de heer P. Tilli wafelbakker in Maastricht.

Vuilnisbelten
Veel flesjes van de bekende flesjes zijn afkomstig uit vuilnisbelten, of werden aangetroffen tijdens opgravingen. De etiketten van deze flesjes zijn verloren gegaan, maar doordat de naam van de producent in het glas werd weergegeven kan worden nagegaan wie de fabrikant is. Inmiddels zijn aan de hand van de opgegraven flesjes verschillende namen bekend. Dit betreft natuurlijk allereerst de echte fabrikant: C. de Koning Tilly. Maar ook van de concurrenten zijn diverse flesjes gevonden, zoals Erdtsieck Tilly, Claes Tilly, Marseille Tilly, G. de Koning Tilly, Genuine Tilly, G.K.T, gebroeders Waaning Tilly, Haarlemmensis, Daudey Tilly, C. de Koning en Tilli, wed. Claas Tilly, Jan Boogaard en Haarlemmerolie De Koning Tilly, Holland. Sommige flesjes kregen nog een extra aanduiding mee zoals: Haarlem Holland of Made Haarlem Holland.

Van enkele fabrikanten zijn (nog) geen flesjes bekend, dit zijn: Oudthuis Tilly, Reform Tilly, Tilly Claeszoon. Maar vals of niet, of de inhoud de gebruiker heeft geholpen kan de archeologie ons helaas niet vertellen…