Europa uit de grond! Open Monumentendag op Huis ter Kleef

Op zaterdag 8 september laten de leden van de Archeologische Werkgroep Haarlem (AWH) u met andere ogen naar het kasteel Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin kijken. Van steengoed kannen uit Duitsland en België tot glas uit Venetië en munten uit Engeland. Uit de grond van de Haarlemmer Kweektuin zijn voorwerpen uit alle windstreken van Europa gevonden. En wat te denken van de Engelse en Franse voorbeelden voor de bouw van het kasteel Huis ter Kleef zelf, en het Franse ‘Jeu de Paume’ dat de heren va Brederode in hun eigen kaatsbaan speelden? De Haarlemmer Kweektuin is veel Europeser dan je denkt!

Van 10.00 tot 16.00 uur wordt in de Haarlemmer Kweektuin door de leden van de AWH het Europese verhaal van het kasteel Huis ter Kleef en de opgegraven voorwerpen verteld. Kom langs en bekijk onze stand met vondsten!

 

 

 

Een kacheltegel uit Huis ter Kleef

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een kacheltegel.

Het kasteel Huis ter Kleef was in 1572 en 1573 het hoofdkwartier van de Spanjaarden tijdens het Beleg van Haarlem. In 1573 werd het kasteel opgeblazen door Don Frederik (de zoon van de hertog van Alva). Dit deed hij om te voorkomen dat de Geuzen zich in het kasteel zouden vestigen om Haarlem te heroveren. Tijdens archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw is een deel van de gracht opgegraven. Toen kwamen tussen een enorme berg scherven, een paar stukken van een kacheltegel tevoorschijn, die eenmaal aan elkaar gepast, een bijna complete tegel vormden.

Warmtebron
Tegelkachels zijn ontstaan in Centraal Europa in de 12de en 13de eeuw. Later verbreidde het gebruik ervan zich uit over Noordwest-Europa.In de Middeleeuwen verwarmde men zich in de meeste huizen bij een open vuur op de vloer of in de wandschouw. Daarnaast kwam ook een gesloten warmtebron, de uit tegels van aardewerk gemetselde kachel in gebruik. De voordelen van de tegelkachel waren: afwezigheid van hinderlijke rook, een gelijkmatiger verspreiding van de warmte en een economischer brandstofverbruik. Maar daar hing dan wel een prijskaartje aan, want de vervaardiging was heel duur. Daarom treffen we ze in de 12de en 13de eeuw vooral aan in adellijke behuizingen. Behalve in adellijke woongebouwen zoals burchten en kastelen, zijn ook resten van tegelkachels in abdijen, herenhuizen, en in belangrijke stedelijke en openbare gebouwen gevonden.

Vervaardiging
De tegelkachels bestonden uit een onderbouw waarin het vuur werd gestookt en een bovenbouw die de uitstraling van de warmte verhoogde. Ze werden met de achterzijde tegen een muur geplaatst en van brandstof voorzien door een opening in de wand. Dit gebeurde vanuit een aangrenzend vertrek, bijvoorbeeld de keuken of een buitenplaats. Via deze weg werd ook de rook afgevoerd. Vroege kachels waren opgebouwd uit eenvoudige steen- en mortelmetselwerk waarin ronde potten van aardewerk werden ingemetseld. Op deze wijze vergrootte men de warmteuitstraling. In de tweede helft van de 14de eeuw kwam de nistegel in productie. In de loop van de 15de eeuw onderging de nistegel een verfijning door middel van een open siergevel van vormsnijwerk die vaak ontleend werd aan de laatgotische architectuur.

Reliëftegel
Rond 1500 werd de nistegel geleidelijk verdrongen door de reliëftegel, ook wel paneeltegel genoemd. Op dit soort tegels was het makkelijker om reliëfvormen en polychroom beschilderde decoraties aan te brengen. De tegel uit Huis ter Kleef is zo’n paneeltegel. Op de achterzijde zijn behalve roetsporen ook vaak nog de afdruk van een doek zichtbaar die men gebruikte om de tegel van de mal te scheiden. Dit is ook te zien op de Kleefse tegel. Gebruikte men in de 14de en 15de eeuw voornamelijk groen- en in mindere mate geelkleurig loodglazuur, aan het einde van de 15e eeuw lukte het de tegelbakkers ook witte, zwarte, blauwe, paarse, oranje en bruine kleuren te verkrijgen. Groenkleurig loodglazuur werd echter het meest toegepast.

Decoratie en symboliek
De ontwerpers van kacheltegels gebruikten beeldmateriaal uit hun tijd zoals houtsneden en etsen en gravures. Aan de afbeeldingen lag vaak een symbolische betekenis ten grondslag. Ze werden versierd met blad- en bloemmotieven, dieren en fabeldieren, heraldische afbeeldingen, heiligen, krijgslieden en edelen (minneparen). In de 16de eeuw waren voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament populair.
De kacheltegel van Huis ter Kleef heeft veel van het dekkende glazuur over de witbakkende klei verloren. Gelukkig is nog wel het reliëf van de decoratie te zien. Op een soortgelijke tegel, die in Utrecht gevonden is en ca. 1500 gedateerd wordt, is duidelijker te zien hoe de Kleefse kacheltegel er uit zag. De tegel heeft een architectonisch kader in de stijl van de late gotiek. Op de gedraaide zuiltjes bevindt zich een pinakel. Binnen dit kader bestaat de versiering uit distels binnen een gotische boog. De twee distelranken kruisen elkaar en eindigen in twee paar tegenover elkaar liggende bloemen. Beneden omsluiten de ranken het initiaal IHS. Helemaal onderaan bevind zich een rand waarop een golvende bladrank voorkomt.

Ook in Keulen is een soortgelijke tegel gevonden. Er zijn een paar kleine verschillen. Op de Keulse tegel komen ook sterretjes voor, en de letters IHS staan in spiegelbeeld. In Keulen zijn ook soortgelijke tegels gevonden met de letters MA. Dit staat voor Maria. Het motief van de distelrank op keramiek en kacheltegels komt in Keulen sinds omstreeks 1500 voor.

De distel is het symbool van het lijden op aarde en de zonde, vanwege de vervloeking van Adam door God (Genesis 3 : 17-18) “… is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten.”. De distel is een stekelige plant en vanwege het verband met de doornen in de passage hierboven, is het ook een symbool geworden voor het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon).

IHS
Het monogram IHS is de weergave van de eerste drie letters van Jezus in Griekse hoofdletters. In de loop der tijden werd het Grieks verdrongen door het Latijn. Men herkende in IHS geen Griekse letters meer, maar meende te maken te hebben met een Latijnse afkorting. Bijvoorbeeld Iesus Hominum Salvator’ (= Jezus de redder van de mensen). Een andere verklaring is In Hoc Signo [vinces], in dit teken [zult ge overwinnen], een verwijzing naar de droom van de Romeinse keizer Constantijn. Volgens de legende zag hij vóór de belangrijke slag bij de Milvische brug in een visioen een kruis, wat ertoe leidde dat hij zich na de overwinning tot het christendom bekeerde. Toen in de late Middeleeuwen de Jezusdevotie een grote vlucht nam, onder invloed van Bernardus van Clairvaux en Franciscus van Assisi gebruikte men het monogram graag als herkenningsteken. Vooral de H. Bernardinus van Siena [1380-1444) droeg ertoe bij. In zijn preken spoorde hij zijn toehoorders aan om de naam van Jezus te verspreiden. Letterlijk, op de gevel van hun woning en binnenshuis, als teken dat de bewoner Jezus in zijn hart had.

Bij Huis ter Kleef zijn verder geen kacheltegels of fragmenten van kacheltegels gevonden. Mogelijk zijn bij de afbraak van het kasteel de resten van de kachel met het bouwpuin afgevoerd. Individuele tegels kunnen wel secundair gebruikt zijn als decoratie en nog lange tijd de woonkamer hebben opgesierd.

Kannen met baarden!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een baardman kan.

Onder de vele scherven die tijdens de opgraving van het Huis ter Kleef (1990-1994) zijn gevonden waren ook fragmenten van een bijzonder type kan, namelijk baardmannen. Dit zijn kannen uit de 16e eeuw tot en met de 18e eeuw, met op de hals een bebaard gezicht. De kan zelf kent verschillen van vorm; klein en bol of langgerekt met brede of smalle hals. Verder komen er ook andere versieringen voor op de buik, zoals acanthusblaadjes, medaillons etc. Dit is afhankelijk van de productieplaats en de ouderdom van de kan.

Huis ter Kleef
Een van de baardmankannen van Huis ter Kleef betreft een fraaie witte baardman kan. De kan is gemaakt in het Duitse Siegburg en dateert uit de periode 1550-1573. De kan is gedecoreerd met portret medaillons en acanthusblaadjes en een decoratieve band op de buik. En uiteraard is de kan van een fraai baardman-masker voorzien. De kan is vrijwel intact. Alleen het oor van de kan ontbreekt.

Herkomst
De baardmankannen komen uit het Rijnland, met name uit Keulen, Frenchen, Raeren en Sieburg. Een kan moet van hard en niet poreus materiaal zijn. Om deze harde structuur te krijgen werden de kannen op een hoge temperatuur van 1200-1400 graden Celsius gebakken. Niet iedere kleisoort is hiervoor geschikt. In het Rijnland, rondom Keulen, werd wel de goede klei soort aangetroffen.

Brandgevaar en oorlog
Van 1540- 1560 werden de pottenbakkers vanwege brandgevaar, produceren van giftige gassen en mogelijk ook op religieuze gronden uit Keulen geweerd en zijn naar het nabij gelegen Frenchen getrokken. Omdat de pottenbakkers in Frenchen op de zelfde wijze bleven produceerden is het moeilijk om het verschil te zien tussen de kannen gemaakt in Keulen of die uit Fenchen.
Onder invloed van oorlogsgeweld zijn rond 1600 de pottenbakkers opnieuw verhuisd. Dit keer naar Stadlohn en Vreden in West-Munsterland. Hier werd de productie van baardmankannen voortgezet. De productie in Frenchen is echter niet gestopt. In Frenchen zijn dan ook de meeste kannen gemaakt.

Productie
Na het draaien en drogen van de kannen werden de baardman-gezichten en de andere decoraties op de kannen aangebracht. Met behulp van een matrijs/mal krijgt een plakje klei de vorm van het gezicht. Dit gezicht werd met behulp van dunne kleipap op de hals van de kan geplakt. Op dezelfde wijze werden versieringen als bladranken en medaillons aangebracht. Daarna werden de kannen gebakken. Soms werd op de ongebakken kruik nog een dunne kleipap (engobe) aangebracht. Het resultaat was een egaal bruin gekleurde kan. De baardmankannen zijn voorzien van een zoutglazuur (NaCl). Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw werden met behulp van kobalt ook blauwe accenten aangebracht.

Wie o wie?
Op de vraag of het gezicht op de kannen een bepaalt persoon voorstelt is niet een definitief antwoord te geven. Wel zijn er een aantal suggesties:

Bellarminus of de hertog van Alva
De naam van Robertus Bellarminus (1542-1621), jezuïet en docent te Leuven en Rome wordt wel genoemd. Omdat hij als fel verdediger van de katholiek kerk zich keerde tegen het protestantisme en drank misbruik, zou zijn gezicht op de kan bedoeld zijn om hem belachelijk te maken. Opmerkelijk is dat in het Engels de baardman kan ‘bellamine’ wordt genoemd. Het is wel jammer dat de baardmankannen al ruim veertig jaar werden gemaakt voordat Robertus Bellarminus werd geboren.
Als andere mogelijkheid, die wordt wordt geopperd is dat de kannen de hertog van Alva (1507-1582) moesten bespotten. Ook hier geld weer dat de kannen er al waren voordat Alva door koning Phillips II als landvoogd naar de Nederlanden werd gestuurd.

Karel de Grote of wildeman
Sommige vergelijken de baardman kannen met de afbeelding van Karel de Grote op een reliekenbuste, die in Aken wordt bewaard. Karel de Grote wordt hier afgebeeld met een kort golvende baard en een strak gezicht overeenkomend met het gezicht op de kannen. Een andere suggestie is dat het bebaarde gezicht op de kan Christus moet voorstellen. Er zijn kannen met drie koppen op de hals, dit zou verwijzen naar de goddelijke drie eenheid. Een totaal andere verklaring is dat het gezicht op de kan de wildeman voorstelt. De wildeman, een mythische creatie met het uiterlijk van een mens maar dan geheel behaard, die een primitief leven leidde in de natuur, was als afbeelding erg populair in de middeleeuwse kunst.

Puntneus kannen
Als afsluiting moet hier nog de puntneus kan worden genoemd. Deze wordt gezien als de voorloper van de baardman kan. Beide kannen verschillen in de vorm van het gezicht. De gezichtjes van de puntneus kan zijn geboetseerd in plaats van met een mal aangebracht.

Niets zo Haarlems als haarlemmerolie!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het haarlemmerolie flesjes.

Niets zo Haarlems als de haarlemmerolie, een huismiddel dat vooral in de herfst- en wintermaanden verlichting kan brengen bij verkoudheid, koorts en griep. Maar het werd vroeger ook bij ernstiger zaken gebruikt zoals nierstenen en open wonden, het middel werd in 1696 uitgevonden door de schoolmeester Claas Tilly en wordt nog steeds vervaardigd en verkocht onder de naam C. de Koning Tilly.

Flesjes
Het middel werd in de beginperiode aan huis verkocht en pas later in de bekende haarlemmerolie flesjes. Deze flesjes zijn in de periode 1900- 1940 in groten getale vervaardigd, gevuld en verkocht. Het middel kreeg grote bekendheid en in diverse landen was er vraag naar, zoals Duitsland, Italië, Spanje en zelfs tot in Brazilië toe. En juist deze flesjes worden regelmatig tijdens opgravingen aangetroffen. De buisvormige flesjes werden in de beginperiode voorzien van etiket en de monding werd afgesloten met een nat stukje varkensblaas. Na droging zette het stukje varkensblaas zich vast. Als extra versteviging ging hier nog een touwtje omheen. Later gebruikte men kurkjes of schroefdopjes.

Concurrenten
De flesjes werden in het begin in de gebruiksaanwijzing verpakt en vanaf de jaren dertig in een kartonnen doosje. Voor wie het kon betalen waren er ook eer fraaie blikken beschikbaar waarin de flesjes werden verpakt. Maar behalve de glazen flesjes waren al deze verpakkingen vergankelijk. De concurrenten van het haarlemmerolie merk C. de Koning Tilly roken geld en probeerde het middel na te maken en op de markt te brengen. Men plakte de naam Tilly achter hun eigen fabrieks- of handelsnaam. Het flesje werd nagemaakt met naam en al en voorzien van een etiket. Enkele concurrenten waren Waaning- Klaas- en G. de Koning Tilly. De laatste veranderde de C in een G en vestigde zich nota bene tegenover de fabriek van de echte haarlemmerolie fabrikant in de Antoniestraat, vroeger de Achterstraat geheten. Maar de concurrenten mochten de naam Tilly niet gebruiken en er werden dan ook veel processen door de echte C. de Koning Tilly aangespannen. Het meest aardige voorbeeld is de maar enkele maanden bestaande fabriek geweest onder de naam C. de Koning en Tilli. Bij navraag bleek de heer De Koning timmermansknecht van beroep en de heer P. Tilli wafelbakker in Maastricht.

Vuilnisbelten
Veel flesjes van de bekende flesjes zijn afkomstig uit vuilnisbelten, of werden aangetroffen tijdens opgravingen. De etiketten van deze flesjes zijn verloren gegaan, maar doordat de naam van de producent in het glas werd weergegeven kan worden nagegaan wie de fabrikant is. Inmiddels zijn aan de hand van de opgegraven flesjes verschillende namen bekend. Dit betreft natuurlijk allereerst de echte fabrikant: C. de Koning Tilly. Maar ook van de concurrenten zijn diverse flesjes gevonden, zoals Erdtsieck Tilly, Claes Tilly, Marseille Tilly, G. de Koning Tilly, Genuine Tilly, G.K.T, gebroeders Waaning Tilly, Haarlemmensis, Daudey Tilly, C. de Koning en Tilli, wed. Claas Tilly, Jan Boogaard en Haarlemmerolie De Koning Tilly, Holland. Sommige flesjes kregen nog een extra aanduiding mee zoals: Haarlem Holland of Made Haarlem Holland.

Van enkele fabrikanten zijn (nog) geen flesjes bekend, dit zijn: Oudthuis Tilly, Reform Tilly, Tilly Claeszoon. Maar vals of niet, of de inhoud de gebruiker heeft geholpen kan de archeologie ons helaas niet vertellen…

Terug naar Huis ter Kleef!

Inmiddels vriest het dat het kraakt, maar de afgelopen twee weken was het prima graafweer. Samen met archeologen van archeologisch bureau BAAC werd onder auspiciën van Team Erfgoed van de gemeente Haarlem een archeologische begeleiding in de Haarlemmer Kweektuin uitgevoerd. Aanleiding voor de werkzaamheden was de aanleg van nieuwe nutsvoorzieningen voor de huidige gebruikers van de Haarlemmer Kweektuin.

Sleuven in het gras
Over een groot deel van het terrein zijn sleuven voor de nieuwe kabels en buizen gegraven. De kans was zeer groot dat er archeologische sporen zouden worden aangetroffen, aangezien onder het grasveld en de huidige bebouwing een hele voorhof van het kasteel Huis ter Kleef schuil gaat. Van daar dat de werkzaamheden met grote belangstelling werden gevolgd door de archeologen en leden van de AWH.

Voorhof van het kasteel
Van de voorhof is tegenwoordig nauwelijks meer iets te zien in de Haarlemmer Kweektuin, maar tijdens archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw is al een deel van de ommuringen en de bijgebouwen van het kasteel, waaronder het complete poortgebouw blootgelegd. Daarnaast zijn toen enkele delen van de gracht om de voorhof aangesneden. Gezien de omvang van de werkzaamheden voor de nieuwe nutsvoorzieningen was de kans groot om nog onbekende delen van de voorhof aan te treffen. Door de sporen in kaart te brengen krijgen we een completer beeld van de voorhof.

Moesbedden en skeletten
Tijdens de eerste week van de graafwerkzaamheden waren de sporen en vondsten bescheiden. Naast enkele paalsporen, greppel uit de prehistorie, een skelet van een paard en moestuinbedden uit de periode dat het terrein als stadskweektuin in gebruik was, zijn er wat munten aangetroffen. Een bijzonder vondst was een deel van een menselijk, waaronder een incomplete schedel. Het skelet moet nog goed worden onderzocht, maar gemeentelijk archeoloog Sem Peters vermoedt op basis van een nabij het skelet gevonden munt dat het skelet uit de zestiende of zeventiende eeuw dateert.

Grachten en muren
In de tweede week werden zowel een sleuf recht voor de kaatsbaan -de zestiende-eeuwse ‘indoor tennisbaan’ van de heren van Brederode en tegenwoordig huisvesting voor de Yogastudio- als naast de witte nieuwbouw uit de jaren tachtig een sleuf gegraven. In beide sleuven werden stukken van de ommuring van de voorhof aangetroffen, evenals delen van de gracht die om het gehele voorhofterrein heeft gelegen. Naast scherven keramiek uit de zestiende en zeventiende eeuw zijn er enkele interessante voorwerpen van metaal gevonden. Zo is een van de metalen voorwerpen waarschijnlijk een wapen in de vorm van een hellebaard, een soort piek op een lans. Een ander intrigerend voorwerp is een klein bakje van loodtin met tekst (VENEZIA) en decoratie. Mogelijk gaat het om een relikwieëndoosje.

Uitwerken
De komende twee jaar worden alle sporen en vondseten door de archeologen van BAAC in detail uitwerkt en volgt een rapportage. De verwachting is dat het beeld van de voorhof dankzij de archeologische begeleiding van de aanleg van de nieuwe nutsvoorzieningen binnenkort een stuk completer zal worden!

Media
Artikel Haarlems Dagblad (2 februari 2018)
Filmpje RTV Noord-Holland (2 februari 2018)

Lezing: Goud aan de Grote Markt over de opgraving Grote Markt 16

Maandag 22 januari organiseren wij samen met het Archeologisch Museum Haarlem een lezing over de opgraving aan de Grote Markt 16 (1990-1991). Sprekers zijn Theo Nieuwenhuizen en Gert Kats (beiden lid van de Archeologische Werkgroep Haarlem) en destijds betrokken bij het onderzoek.

Tijdens de lezing komt het onderzoek en de vondsten uitgebreid aan bod: hoe verliep de opgraving en wat kan er gezegd worden over de verschillende perioden van bouw en gebruik van het pandje? Wat is er allemaal in de beerputten gevonden en wat vertelt dit over de bewoners en gebruikers van deze plek, die vanaf de 13e eeuw bebouwd is geweest.

Uiteraard is het ook mogelijk om de tentoonstelling te bezoeken.

Toegang gratis. Deuren open om 19:45, lezing begint om 20:00 uur.

Archeologisch Museum Haarlem
Grote Markt 18k
2011 RD Haarlem

De helm van Duinrust

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een Duitse helm uit de tweede wereldoorlog.

In augustus 1994 verwoestte een grote brand het leegstaande voormalige Marine Hospitaal in Overveen. De restanten van het pand zijn nadien afgebroken om plaats te maken voor woningen en een parkeergarage van Résidence Vijverpark. De graafwerkzaamheden zijn door lokale deskundige Theo Nieuwenhuizen begeleid. Tijdens de werkzaamheden konden diverse funderingen van gebouwen van de blekerij Vreugdenberg (17e eeuw tot 1900) worden gedocumenteerd. Ook werd een waterput van Huize Duinrust gevonden, een rusthuis uit 1908 voor welgestelde ouden van dagen. Een van de markante vondsten betreft een Duitse helm uit de tweede wereldoorlog.

Kriegsmarine
Gedurende de bezettingsperiode was een onderdeel van de Kriegsmarine, de Duitse zeemacht, in Huize Duinrust gevestigd. Direct na de capitulatie nam de Binnenlandse Strijdkrachten Duinrust over en werd het een noodgevangenis waar tijdelijk gearresteerde NSB-ers in bewaring werden gesteld. De naam veranderde in Bewakingskamp Duinrust. In 1948 kreeg Duinrust ten slotte de functie van Marine Hospitaal.

Helm
De helm van Duinrust is Duits en van het model M40. Het is echter niet helemaal in zandkleur geschilderd, maar is gecamoufleerd waarschijnlijk met een combinatie van zandgeel, groen en roodbruin. Naarmate de oorlog vorderde kwamen gecamoufleerde helmen vaker voor. is gecamoufleerd zijn door diverse legeronderdelen gedragen, waaronder de Waffen SS, Heer, Luftwaffe en de Kriegsmarine. De laatste met name bij de Kustartillerie.

Stempel
Van de helm is zowel de stalen schaal met verfresten als het binnenwerk van leer bewaard gebleven. Het stempel in het binnenwerk is van de maker van het leer, en hoeft niet de maker van de stalen helm als geheel te zijn. Hier staat in het randschrift de naam van de maker, die blijkbaar in BRAUNSCHWEIG gevestigd was. De naams- en plaatsaanduiding geven aan dat de helm in ieder geval van voor 1942 dateert. Hierna werden namelijk alle verwijzingen naar fabrieken en plaatsen vervangen door een zogenaamd Reichsbetriebnummer. De cijfers in het midden van het stempel geven de maat van het binnenwerk en de hoofdmaat aan. Het binnenwerk (M31) was via een aluminium of zinken strip en drie splitpennen aan de stalen helm bevestigd. Aan die strip in ringvorm zaten ook de ogen waarmee de kinriem bevestigd was.

Tekst
Op de helm zijn naast restanten camouflageverf ook letters zichtbaar. De tekst op de voorzijde van de helm is echter niet organiek. Vermoedelijk is de tekst na de bevrijding op de helm geschilderd, bijvoorbeeld als aanduiding van een souvenir of tweede gebruik. Duitse helmen uit de periode 1940-1945 hebben hooguit een of twee transferplaatjes op de zijkant onder het ventilatie gat. Naarmate de oorlog vorderde werden die plaatjes steeds minder gebruikt. De enige uitzondering zijn helmen van hospitaalsoldaten (Sanitäter) waar een of meer rode kruizen in wit vlak op geschilderd zijn. Wat er precies op deze helm staat is niet goed lezen, maar het lijkt alsof er BRANDWEER staat.

 

 

Met dank aan:

Huize Duinrust, St. Lambertus Stichting 9379 [Anoniem], Noord-Hollands Archief / [collectie Braakman], [NL-HlmNHA_55017575]

De laatste afbeelding is een voorbeeld van een gecamoufleerde helm.