Een prins in brokken!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een tegeltableau.

Begijnhof
In 1975 vond op het Begijnhof een opgraving plaats. In een beerput werden verschillende voorwerpen van keramiek aangetroffen, waaronder enkele fragmenten van een tegeltableau. Op deze fragmenten zijn diverse geschilderde elementen te herkennen, zoals een deel van een harnas met een staf, een baard boven een kanten kraag en de bovenzijde van een hoofd. Van de andere fragmenten werd de versiering niet zo gauw herkend. Wie zou dit kunnen zijn? Het moest wel een persoon van aanzien zijn geweest vanwege de staf, zoals die werd gedragen door onder andere Fernando Alvarez de Toledo of Michiel de Ruyter als teken van gezag.

Digitaal opgraven
Via het internet werd al gauw duidelijk dat op het tableau prins Frederik Hendrik van Nassau staat afgebeeld. Een vrijwel exact tableau met de prins is 1619 gedateerd en voorzien van zijn naam. Makkelijker kan haast niet. Een schilderij of gravure van de prins heeft voor beide tableaus als model gediend. Maar wie was nou eigenlijk deze prins? Veel mensen weten niets van hem af, dus hierbij een kleine greep uit de vaderlands geschiedenis.

Willem van Oranje
Frederik Hendrik 1584- 1647, graaf van Nassau, prins van Oranje, was het jongste kind van Willem van Oranje en Louise de Coligny. Hij werd geboren enkele maanden nadat het gezin had moeten vertrekken uit Antwerpen. Frederik werd door zijn moeder met grote zorg opgevoed en droeg levenslang in uiterlijke en innerlijke beschaving, alsmede in zijn religieuze opvattingen het stempel van haar tolerante en vrijzinnige geest.

Militaire loopbaan
Bestemd voor een militaire loopbaan, werd Frederik door kopstukken uit prins Maurits’ keurtroepen in krijgskunde onderwezen. Ruim een jaar diende hij als page aan het Franse hof, maar in 1599 keerde hij op verlangen van de Hollandse regenten naar de Nederlanden terug.

Op de fragmenten: links een deel van een helm met pluim, geheel boven een deel van een hoofd, een baard met molensteenkraag, een deel van een gordel en als laatste een deel van een harnas met staf.

Als lid van prins Maurits’ staf nam hij al deel aan diens operaties; de slag bij Nieuwpoort (1602), belegeringen van Grave (1602), Sluis (1604) en Bredevoort (1607). Na afloop van het Twaalfjarig bestand (1621) werd hij generaal der cavalerie en vlak voor de dood van Maurits (1625) opperbevelhebber van de Staatse legers. Kort daarna werd hij diens opvolger als kapitein- en admiraal-generaal en tevens stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel.

Als “stedendwinger” vestigde hij zijn naam door de geslaagde belegeringen van onder andere Groenlo (1627), Maastricht, Sittard, Roermond (1632) en ten slotte Sas van Gent (1644). Een bezig baasje dus, die ook in de toenmalige politiek zijn mannetje stond. In 1647 stierf Frederik op 63 jarige leeftijd, een jaar voor de Vrede van Munster.

Afbeelding compleet tegeltableau:  collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Zie: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.54802

Gebrandschilderd glas

De naam zegt het al; gebrandschilderd glas is vensterglas dat is beschilderd met een verfsoort, grisaille genaamd, dat door verhitting op het glas werd inbrand. Gebrandschilderd glas komt al voor sinds de middeleeuwen maar was voor de gewone man onbetaalbaar om aan te schaffen. Alleen in geestelijke instellingen en door rijke personen werd het gebruikt.

Mode
In afgelopen eeuwen vonden veel mensen het gebrandschilderd glas vaak oubollig en het hield ook licht tegen. Er werd vaak voor gekozen om de fraaie glaspanelen te vervangen voor kleurloos glas. Veelal werd het glas in lood uit de sponning gehaald, waarbij het glas werd stukgeslagen en het lood werd verzameld, want hier had je immers nog wat aan. Je kon er vislood van gieten of het lood verkopen bij de ijzerboer. Ook het glas werd verzameld en weer omgesmolten.

Glasvondsten
Een enkele keer wordt bij een opgraving dergelijk glaswerk aangetroffen, soms in enorme hoeveelheden, zoals in Roermond, waar een 1.200 kilo glas werd geborgen uit een kelder, en in Alkmaar 200 kilo uit een tonput. In mindere kilo’s werden ook vondsten gedaan in Zutphen en Oldenzaal. Vondsten van gebrandschilderd glas zijn in Haarlem zelden gevonden. Tot nu toe zijn in 50 jaar tijd maar twee complexen opgegraven, waarbij meerdere stukken van dit glas werden aangetroffen. Bij de opgraving Huis ter Kleef in de jaren 1990-1994 werden wat fragmenten aangetroffen uit de 15e eeuw en tijdens onderzoek in 1970 in de Frankenstraat zijn fragmenten uit de 17e eeuw gevonden.

Verwering
Soms is het glas niet aangetast door het lange verblijf in de grond en zijn de kleuren en beschildering in goede conditie. Maar als het glas is verweerd is het ondoorzichtig geworden en zelfs met een sterke lamp erachter kan vrijwel niets meer van de brandschildering worden waargenomen.

Strijklicht
Een goede manier om de brand-beschildering toch te bekijken en digitaal vast te leggen is om het glas wat schuin te houden waardoor met strijklicht van zon of lamp de contouren van de beschildering zichtbaar worden. Daar waar de grisaille is ingebrand is het glas dof, de rest van het glasoppervlak heeft wat glans gekregen door het strijklicht.

Gruis
Maar soms is het glas dusdanig aangetast dat het na verloop van tijd uiteenvalt in een hoopje klein gruis en vele glittertjes. We kunnen hier toch niet veel tegen doen, als we het glas impregneren zal in veel gevallen de grisaille-tekening wegvallen…

Europa uit de grond! Open Monumentendag op Huis ter Kleef

Op zaterdag 8 september laten de leden van de Archeologische Werkgroep Haarlem (AWH) u met andere ogen naar het kasteel Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin kijken. Van steengoed kannen uit Duitsland en België tot glas uit Venetië en munten uit Engeland. Uit de grond van de Haarlemmer Kweektuin zijn voorwerpen uit alle windstreken van Europa gevonden. En wat te denken van de Engelse en Franse voorbeelden voor de bouw van het kasteel Huis ter Kleef zelf, en het Franse ‘Jeu de Paume’ dat de heren va Brederode in hun eigen kaatsbaan speelden? De Haarlemmer Kweektuin is veel Europeser dan je denkt!

Van 10.00 tot 16.00 uur wordt in de Haarlemmer Kweektuin door de leden van de AWH het Europese verhaal van het kasteel Huis ter Kleef en de opgegraven voorwerpen verteld. Kom langs en bekijk onze stand met vondsten!

 

 

 

Een kacheltegel uit Huis ter Kleef

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een kacheltegel.

Het kasteel Huis ter Kleef was in 1572 en 1573 het hoofdkwartier van de Spanjaarden tijdens het Beleg van Haarlem. In 1573 werd het kasteel opgeblazen door Don Frederik (de zoon van de hertog van Alva). Dit deed hij om te voorkomen dat de Geuzen zich in het kasteel zouden vestigen om Haarlem te heroveren. Tijdens archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw is een deel van de gracht opgegraven. Toen kwamen tussen een enorme berg scherven, een paar stukken van een kacheltegel tevoorschijn, die eenmaal aan elkaar gepast, een bijna complete tegel vormden.

Warmtebron
Tegelkachels zijn ontstaan in Centraal Europa in de 12de en 13de eeuw. Later verbreidde het gebruik ervan zich uit over Noordwest-Europa.In de Middeleeuwen verwarmde men zich in de meeste huizen bij een open vuur op de vloer of in de wandschouw. Daarnaast kwam ook een gesloten warmtebron, de uit tegels van aardewerk gemetselde kachel in gebruik. De voordelen van de tegelkachel waren: afwezigheid van hinderlijke rook, een gelijkmatiger verspreiding van de warmte en een economischer brandstofverbruik. Maar daar hing dan wel een prijskaartje aan, want de vervaardiging was heel duur. Daarom treffen we ze in de 12de en 13de eeuw vooral aan in adellijke behuizingen. Behalve in adellijke woongebouwen zoals burchten en kastelen, zijn ook resten van tegelkachels in abdijen, herenhuizen, en in belangrijke stedelijke en openbare gebouwen gevonden.

Vervaardiging
De tegelkachels bestonden uit een onderbouw waarin het vuur werd gestookt en een bovenbouw die de uitstraling van de warmte verhoogde. Ze werden met de achterzijde tegen een muur geplaatst en van brandstof voorzien door een opening in de wand. Dit gebeurde vanuit een aangrenzend vertrek, bijvoorbeeld de keuken of een buitenplaats. Via deze weg werd ook de rook afgevoerd. Vroege kachels waren opgebouwd uit eenvoudige steen- en mortelmetselwerk waarin ronde potten van aardewerk werden ingemetseld. Op deze wijze vergrootte men de warmteuitstraling. In de tweede helft van de 14de eeuw kwam de nistegel in productie. In de loop van de 15de eeuw onderging de nistegel een verfijning door middel van een open siergevel van vormsnijwerk die vaak ontleend werd aan de laatgotische architectuur.

Reliëftegel
Rond 1500 werd de nistegel geleidelijk verdrongen door de reliëftegel, ook wel paneeltegel genoemd. Op dit soort tegels was het makkelijker om reliëfvormen en polychroom beschilderde decoraties aan te brengen. De tegel uit Huis ter Kleef is zo’n paneeltegel. Op de achterzijde zijn behalve roetsporen ook vaak nog de afdruk van een doek zichtbaar die men gebruikte om de tegel van de mal te scheiden. Dit is ook te zien op de Kleefse tegel. Gebruikte men in de 14de en 15de eeuw voornamelijk groen- en in mindere mate geelkleurig loodglazuur, aan het einde van de 15e eeuw lukte het de tegelbakkers ook witte, zwarte, blauwe, paarse, oranje en bruine kleuren te verkrijgen. Groenkleurig loodglazuur werd echter het meest toegepast.

Decoratie en symboliek
De ontwerpers van kacheltegels gebruikten beeldmateriaal uit hun tijd zoals houtsneden en etsen en gravures. Aan de afbeeldingen lag vaak een symbolische betekenis ten grondslag. Ze werden versierd met blad- en bloemmotieven, dieren en fabeldieren, heraldische afbeeldingen, heiligen, krijgslieden en edelen (minneparen). In de 16de eeuw waren voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament populair.
De kacheltegel van Huis ter Kleef heeft veel van het dekkende glazuur over de witbakkende klei verloren. Gelukkig is nog wel het reliëf van de decoratie te zien. Op een soortgelijke tegel, die in Utrecht gevonden is en ca. 1500 gedateerd wordt, is duidelijker te zien hoe de Kleefse kacheltegel er uit zag. De tegel heeft een architectonisch kader in de stijl van de late gotiek. Op de gedraaide zuiltjes bevindt zich een pinakel. Binnen dit kader bestaat de versiering uit distels binnen een gotische boog. De twee distelranken kruisen elkaar en eindigen in twee paar tegenover elkaar liggende bloemen. Beneden omsluiten de ranken het initiaal IHS. Helemaal onderaan bevind zich een rand waarop een golvende bladrank voorkomt.

Ook in Keulen is een soortgelijke tegel gevonden. Er zijn een paar kleine verschillen. Op de Keulse tegel komen ook sterretjes voor, en de letters IHS staan in spiegelbeeld. In Keulen zijn ook soortgelijke tegels gevonden met de letters MA. Dit staat voor Maria. Het motief van de distelrank op keramiek en kacheltegels komt in Keulen sinds omstreeks 1500 voor.

De distel is het symbool van het lijden op aarde en de zonde, vanwege de vervloeking van Adam door God (Genesis 3 : 17-18) “… is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten.”. De distel is een stekelige plant en vanwege het verband met de doornen in de passage hierboven, is het ook een symbool geworden voor het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon).

IHS
Het monogram IHS is de weergave van de eerste drie letters van Jezus in Griekse hoofdletters. In de loop der tijden werd het Grieks verdrongen door het Latijn. Men herkende in IHS geen Griekse letters meer, maar meende te maken te hebben met een Latijnse afkorting. Bijvoorbeeld Iesus Hominum Salvator’ (= Jezus de redder van de mensen). Een andere verklaring is In Hoc Signo [vinces], in dit teken [zult ge overwinnen], een verwijzing naar de droom van de Romeinse keizer Constantijn. Volgens de legende zag hij vóór de belangrijke slag bij de Milvische brug in een visioen een kruis, wat ertoe leidde dat hij zich na de overwinning tot het christendom bekeerde. Toen in de late Middeleeuwen de Jezusdevotie een grote vlucht nam, onder invloed van Bernardus van Clairvaux en Franciscus van Assisi gebruikte men het monogram graag als herkenningsteken. Vooral de H. Bernardinus van Siena [1380-1444) droeg ertoe bij. In zijn preken spoorde hij zijn toehoorders aan om de naam van Jezus te verspreiden. Letterlijk, op de gevel van hun woning en binnenshuis, als teken dat de bewoner Jezus in zijn hart had.

Bij Huis ter Kleef zijn verder geen kacheltegels of fragmenten van kacheltegels gevonden. Mogelijk zijn bij de afbraak van het kasteel de resten van de kachel met het bouwpuin afgevoerd. Individuele tegels kunnen wel secundair gebruikt zijn als decoratie en nog lange tijd de woonkamer hebben opgesierd.

Kannen met baarden!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een baardman kan.

Onder de vele scherven die tijdens de opgraving van het Huis ter Kleef (1990-1994) zijn gevonden waren ook fragmenten van een bijzonder type kan, namelijk baardmannen. Dit zijn kannen uit de 16e eeuw tot en met de 18e eeuw, met op de hals een bebaard gezicht. De kan zelf kent verschillen van vorm; klein en bol of langgerekt met brede of smalle hals. Verder komen er ook andere versieringen voor op de buik, zoals acanthusblaadjes, medaillons etc. Dit is afhankelijk van de productieplaats en de ouderdom van de kan.

Huis ter Kleef
Een van de baardmankannen van Huis ter Kleef betreft een fraaie witte baardman kan. De kan is gemaakt in het Duitse Siegburg en dateert uit de periode 1550-1573. De kan is gedecoreerd met portret medaillons en acanthusblaadjes en een decoratieve band op de buik. En uiteraard is de kan van een fraai baardman-masker voorzien. De kan is vrijwel intact. Alleen het oor van de kan ontbreekt.

Herkomst
De baardmankannen komen uit het Rijnland, met name uit Keulen, Frenchen, Raeren en Sieburg. Een kan moet van hard en niet poreus materiaal zijn. Om deze harde structuur te krijgen werden de kannen op een hoge temperatuur van 1200-1400 graden Celsius gebakken. Niet iedere kleisoort is hiervoor geschikt. In het Rijnland, rondom Keulen, werd wel de goede klei soort aangetroffen.

Brandgevaar en oorlog
Van 1540- 1560 werden de pottenbakkers vanwege brandgevaar, produceren van giftige gassen en mogelijk ook op religieuze gronden uit Keulen geweerd en zijn naar het nabij gelegen Frenchen getrokken. Omdat de pottenbakkers in Frenchen op de zelfde wijze bleven produceerden is het moeilijk om het verschil te zien tussen de kannen gemaakt in Keulen of die uit Fenchen.
Onder invloed van oorlogsgeweld zijn rond 1600 de pottenbakkers opnieuw verhuisd. Dit keer naar Stadlohn en Vreden in West-Munsterland. Hier werd de productie van baardmankannen voortgezet. De productie in Frenchen is echter niet gestopt. In Frenchen zijn dan ook de meeste kannen gemaakt.

Productie
Na het draaien en drogen van de kannen werden de baardman-gezichten en de andere decoraties op de kannen aangebracht. Met behulp van een matrijs/mal krijgt een plakje klei de vorm van het gezicht. Dit gezicht werd met behulp van dunne kleipap op de hals van de kan geplakt. Op dezelfde wijze werden versieringen als bladranken en medaillons aangebracht. Daarna werden de kannen gebakken. Soms werd op de ongebakken kruik nog een dunne kleipap (engobe) aangebracht. Het resultaat was een egaal bruin gekleurde kan. De baardmankannen zijn voorzien van een zoutglazuur (NaCl). Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw werden met behulp van kobalt ook blauwe accenten aangebracht.

Wie o wie?
Op de vraag of het gezicht op de kannen een bepaalt persoon voorstelt is niet een definitief antwoord te geven. Wel zijn er een aantal suggesties:

Bellarminus of de hertog van Alva
De naam van Robertus Bellarminus (1542-1621), jezuïet en docent te Leuven en Rome wordt wel genoemd. Omdat hij als fel verdediger van de katholiek kerk zich keerde tegen het protestantisme en drank misbruik, zou zijn gezicht op de kan bedoeld zijn om hem belachelijk te maken. Opmerkelijk is dat in het Engels de baardman kan ‘bellamine’ wordt genoemd. Het is wel jammer dat de baardmankannen al ruim veertig jaar werden gemaakt voordat Robertus Bellarminus werd geboren.
Als andere mogelijkheid, die wordt wordt geopperd is dat de kannen de hertog van Alva (1507-1582) moesten bespotten. Ook hier geld weer dat de kannen er al waren voordat Alva door koning Phillips II als landvoogd naar de Nederlanden werd gestuurd.

Karel de Grote of wildeman
Sommige vergelijken de baardman kannen met de afbeelding van Karel de Grote op een reliekenbuste, die in Aken wordt bewaard. Karel de Grote wordt hier afgebeeld met een kort golvende baard en een strak gezicht overeenkomend met het gezicht op de kannen. Een andere suggestie is dat het bebaarde gezicht op de kan Christus moet voorstellen. Er zijn kannen met drie koppen op de hals, dit zou verwijzen naar de goddelijke drie eenheid. Een totaal andere verklaring is dat het gezicht op de kan de wildeman voorstelt. De wildeman, een mythische creatie met het uiterlijk van een mens maar dan geheel behaard, die een primitief leven leidde in de natuur, was als afbeelding erg populair in de middeleeuwse kunst.

Puntneus kannen
Als afsluiting moet hier nog de puntneus kan worden genoemd. Deze wordt gezien als de voorloper van de baardman kan. Beide kannen verschillen in de vorm van het gezicht. De gezichtjes van de puntneus kan zijn geboetseerd in plaats van met een mal aangebracht.

Lezing Martijn Akkerman over historische juwelen opgraving Grote Markt 16

Op dinsdagavond 3 april geeft juwelenhistoricus Martijn Akkerman (bekend van Tussen Kunst & Kitsch) een lezing over de historie van juwelen en in het bijzonder de juwelen die zijn opgegraven in Haarlem. De lezing vindt plaats in de Gravenzaal. Vooraf aanmelden is noodzakelijk, door een mail te sturen naar mvddries@haarlem.nl.

Beerput
Bij de opgraving Grote Markt 16 is een aantal bijzondere 18e eeuwse sieraden in een beerput aangetroffen. Deze unieke stukken, die zelden in een beerput gevonden worden, zijn door Akkerman onderzocht. In zijn lezing gaat hij in op de vaak emotionele band tussen juwelen en mensen. In zijn verhaal combineert hij de achtergrond van de juwelen met mode en andere vormen van (toegepaste) kunst. De kleinoden zijn op dit moment te zien in de tentoonstelling Schat in het Hart van de Stad in het Archeologisch Museum Haarlem.

Toegang en programma
De lezing wordt gehouden op dinsdagavond 3 april in de Gravenzaal. Voorafgaand kunt u de tentoonstelling Schat in het Hart van de Stad  bezoeken in het Archeologisch Museum Haarlem.

19.00-19.45: ontvangst in het Archeologisch Museum Haarlem met koffie en thee.
Hier kunt u de tentoonstelling Schat in het Hart van de Stad met de Haarlemse juwelen bezoeken
19.45-20.00: ontvangst Gravenzaal voor de lezing
20.00-22.00: lezing door Martijn Akkerman

Aanmelden
De toegangsprijs bedraagt 5 euro (inclusief een pauzedrankje). Dit is op de avond zelf alleen contant te voldoen. In verband met het beperkt aantal plaatsen is vooraf aanmelden noodzakelijk via mvddries@haarlem.nl.

Over Martijn Akkerman
Martijn Akkerman doet als juwelenhistoricus onderzoek naar de geschiedenis en ontwikkeling van Europese juwelen en publiceert in vaktijdschriften in binnen- en buitenland. Bij het grote publiek is hij bekend als juwelenexpert van het televisieprogramma ‘Tussen Kunst en Kitsch’.

 

Terug naar Huis ter Kleef!

Inmiddels vriest het dat het kraakt, maar de afgelopen twee weken was het prima graafweer. Samen met archeologen van archeologisch bureau BAAC werd onder auspiciën van Team Erfgoed van de gemeente Haarlem een archeologische begeleiding in de Haarlemmer Kweektuin uitgevoerd. Aanleiding voor de werkzaamheden was de aanleg van nieuwe nutsvoorzieningen voor de huidige gebruikers van de Haarlemmer Kweektuin.

Sleuven in het gras
Over een groot deel van het terrein zijn sleuven voor de nieuwe kabels en buizen gegraven. De kans was zeer groot dat er archeologische sporen zouden worden aangetroffen, aangezien onder het grasveld en de huidige bebouwing een hele voorhof van het kasteel Huis ter Kleef schuil gaat. Van daar dat de werkzaamheden met grote belangstelling werden gevolgd door de archeologen en leden van de AWH.

Voorhof van het kasteel
Van de voorhof is tegenwoordig nauwelijks meer iets te zien in de Haarlemmer Kweektuin, maar tijdens archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw is al een deel van de ommuringen en de bijgebouwen van het kasteel, waaronder het complete poortgebouw blootgelegd. Daarnaast zijn toen enkele delen van de gracht om de voorhof aangesneden. Gezien de omvang van de werkzaamheden voor de nieuwe nutsvoorzieningen was de kans groot om nog onbekende delen van de voorhof aan te treffen. Door de sporen in kaart te brengen krijgen we een completer beeld van de voorhof.

Moesbedden en skeletten
Tijdens de eerste week van de graafwerkzaamheden waren de sporen en vondsten bescheiden. Naast enkele paalsporen, greppel uit de prehistorie, een skelet van een paard en moestuinbedden uit de periode dat het terrein als stadskweektuin in gebruik was, zijn er wat munten aangetroffen. Een bijzonder vondst was een deel van een menselijk, waaronder een incomplete schedel. Het skelet moet nog goed worden onderzocht, maar gemeentelijk archeoloog Sem Peters vermoedt op basis van een nabij het skelet gevonden munt dat het skelet uit de zestiende of zeventiende eeuw dateert.

Grachten en muren
In de tweede week werden zowel een sleuf recht voor de kaatsbaan -de zestiende-eeuwse ‘indoor tennisbaan’ van de heren van Brederode en tegenwoordig huisvesting voor de Yogastudio- als naast de witte nieuwbouw uit de jaren tachtig een sleuf gegraven. In beide sleuven werden stukken van de ommuring van de voorhof aangetroffen, evenals delen van de gracht die om het gehele voorhofterrein heeft gelegen. Naast scherven keramiek uit de zestiende en zeventiende eeuw zijn er enkele interessante voorwerpen van metaal gevonden. Zo is een van de metalen voorwerpen waarschijnlijk een wapen in de vorm van een hellebaard, een soort piek op een lans. Een ander intrigerend voorwerp is een klein bakje van loodtin met tekst (VENEZIA) en decoratie. Mogelijk gaat het om een relikwieëndoosje.

Uitwerken
De komende twee jaar worden alle sporen en vondseten door de archeologen van BAAC in detail uitwerkt en volgt een rapportage. De verwachting is dat het beeld van de voorhof dankzij de archeologische begeleiding van de aanleg van de nieuwe nutsvoorzieningen binnenkort een stuk completer zal worden!

Media
Artikel Haarlems Dagblad (2 februari 2018)
Filmpje RTV Noord-Holland (2 februari 2018)