Een halfje en een plakker!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een cent.

Kerken
Regelmatig vinden we tijdens een opgraving muntstukken. Soms zijn het bijzondere munten van goud of zilver, maar vaak zijn het gangbare munten als duiten en euro’s. Een enkele keer vinden we een halve cent en een 2½ halve cent. Deze muntjes zijn vooral tijdens de opgravingen in de St. Bavo en de Waalse kerk in Haarlem gevonden. Vermoedelijk zijn de muntjes gevallen tijdens het collecteren en zo in de bodem beland.

Het decimale stelsel
De halve cent deed zijn intrede na de Franse periode In 1817 werd op grond van de muntwet het decimale stelsel ingevoerd. De eerste halve centen werden geslagen in 1818 en hadden een waarde van tweehonderdste deel van een gulden. De waarde van deze munt was gering, nog minder dan een duit waarvan er 160 in een gulden gingen. In de eerste twee jaar was de muntslag beperkt maar na deze aanloopperiode sloeg vaak miljoenen centen per jaar. De halve cent zou tot 1940 in gebruik blijven.

Koning Willem I
Tijdens de regeerperiode van Koning Willem I is op de voorzijde van de halve cent een gekroonde letter W tussen het jaartal afgebeeld en staat op de achterzijde een gekroond Nederlands wapen tussen ½ en de letter C. In 1878 veranderde de uitvoering van de munt: aan de voorzijde zijn twee samengebonden oranjetakken afgebeeld, met halve cent in het midden. Op de achterzijde is het wapen van het Koninkrijk der Nederlanden in tekst en beeld en het jaartal van emissie weergegeven.

Gezegdes
Er zijn over halve centen maar enkele gezegdes bekend, zoals ‘Ik vertrouw hem voor geen halve cent’ (iemand helemaal niet vertrouwen) en “Bekend zijn als een slechte halve cent” (overal bekend zijn net als ondeugdelijk geld). Een ander fraai gezegde gaat over opscheppers: ‘Geen halve cent in de zak en drie gulden aan het voorhoofd’.

 

Plakker
In 1877 werd een nieuw muntstuk in omloop gebracht, de 2 ½ cent. Deze munt wordt ook wel plakker, halve stuiver of 4 duitstuk genoemd. De uitvoering van de 2 ½ cent is vrijwel hetzelfde als de halve cent van 1936. De munt is alleen groter en voorzien van de aanduiding 2 ½ cent. De munt werd geslagen in brons, maar in de oorlogsjaren 1941 en 1942 werd deze van zink gemaakt. De munten uit 1942 gelden als zeldzaam, want vrijwel direct nadat ze waren geslagen werden ze weer vernietigd. Er zijn slechts 200.000 exemplaren in omloop gebracht. Na 1942 werden geen plakkers meer geslagen.

Een gezegde of spreekwoord over een 2 ½ cent is er eigenlijk niet, we kennen er eigenlijk maar een en dat zou een echte Haarlemse zijn: ‘ik heb geen rooie plakker!’ (helemaal geen geld hebben)

Hygiëne!

Deze keer een achtergrondverhaal over hygiëne door de eeuwen heen. Aanleiding voor deze duik in de geschiedenis was een bericht op onze Facebook-pagina over de vondst van een luizenkam. U gaat de tentoongestelde luizenkammen in het Archeologisch Museum Haarlem ongetwijfeld anders bekijken…

Met de hygiëne was het door de eeuwen heen slecht gesteld. Men leefde dicht op elkaar en waste zich nauwelijks. Rond 1500 werden badhuizen en stoombaden zelfs verboden omdat de huid er week van werd en de poriën zich na een bad openden. Daardoor konden de pestdampen gemakkelijk het lichaam binnendringen. Aldus de Frans lijfarts Ambroise Paré. Pas na 300 jaar collectieve badfobie kwam het water terug. De Italiaanse arts Geronimo Cardano klaagde in 1576 dat mannen en vrouwen onder de vlooien en luizen zaten, sommigen onder hun oksels stonken en de meeste een slechte adem hadden.

Romeinen
De Romeinen bracht nieuwe innovaties, zoals aquaducten, baden en toiletten. Verrassend genoeg waren de Romeinen op het gebied van hygiëne minder ver dan je zou verwachten. Uit de resultaten van diverse onderzoeken blijkt dat er in de romeinse tijd meer parasieten, luizen en vlooien voorkwamen dan in de ijzertijd en de middeleeuwen. Het badwater in de badhuizen werd nauwelijks ververst en vormde een perfecte verspreidingsbron. Het onderzoek van de Cambridge University en de vondst van talloze luizenkammen met eitjes duiden erop dat het in de openbare badhuizen krioelde van de luizen, vlooien en bedwantsen.

VOC-schepen
Met de hygiëne aan boord van een VOC-schip was het slecht gesteld. De mannen verbleven lange tijd op zee zonder vers voedsel of drinkwater. De luizen zorgden voor een ondraaglijke jeuk. Vlooien ratten en luizen konden zelfs voor een vlektyfus-epidemie zorgen. Regelmatig moesten de mannen aan boord zich laten ontluizen. Dit gebeurde op het “luizendek”, dit lag lager dan de overige dekken. De kans op overspringen van de luizen was daar kleiner omdat het meer afgeschermd was. Op het dek werd het haar gekamd met een speciale luizenkam waarvan de pinnetjes heel dicht op elkaar stonden om de eitjes te onderscheppen. De luizenkam in deze vorm bestaat in de huidige tijd nog steeds. Het kammen van het haar was een zogenaamd “luizenbaantje”.

Regenten van het Chirurgijnsgilde 1732

Pruikentijd
De Franse koning Lodewijk IV constateerde omstreeks 1670 dat er geen haar meer op zijn hoofd wilde groeien. Hij ging een pruik dragen. Hoe groter de pruik, hoe meer status en aanzien men verkreeg. De pruiken zaten onder de luizen en werden naar de pruikenmaker gestuurd om hem schoon te maken in kokend water. Om alle vieze luchten te verdragen werd er rijkelijk gebruik gemaakt van parfum. Met speciale krabbertjes probeerde men de ergste jeuk tegen te gaan, maar het ongedierte nestelde zich overal.

Baden in zee, Kent 1897

Reinheid
Rond 1750 begonnen vooraanstaande artsen en geleerden het nemen van een bad te propageren. Koud water werd beschouwd als goed voor de gezondheid. De Britse schrijver en arts Tobias Smolett schreef in 1757 onder andere dat verstopte poriën ronduit ongezond waren. De huid moest kunnen ademen, zodat het zweet weg kon. Hij was een van de eersten die een verband legde tussen reinheid en gezondheid. Artsen begonnen hun patiënten aan te raden om een bad te nemen in zee of naar een kuuroord te gaan.

De Jordaan in Amsterdam

Zaterdagavondbad
In de volkswijken hadden de bewoners rond 1900 nog geen stromend water en ook geen badkamer. Deze situatie duurde tot ver in de jaren 60, daarna kreeg elke huis zijn eigen toilet en badkamer. Het gezin ging een keer per week op zaterdagavond in bad in een grote teil of wastobbe. Het water moest eerst warm gestookt worden of worden gekocht bij de heetwaterstoker. De hele familie waste zich een voor een in de tobbe, zodat men ’s zondags schoon en in het beste goed in de kerk kon verschijnen. Na de Tweede Wereldoorlog wordt van ‘nette mensen’ verwacht dat zij in ieder geval deze wekelijkse wasbeurt hebben. Tussendoor wast men zich, mits er waterleiding is, met koud water bij de gootsteen.

Luizenkammen in het Archeologisch Museum Haarlem

Heden
In de huidige tijd wast men zich in de rijke landen soms wel twee keer per dag en is parfum bedoeld om lekker te ruiken en niet om ongewenste geurtjes te verdoezelen. Luizen en andere nare kriebelbeestjes bestaan echter nog steeds. Vooral kinderen op de lagere scholen hebben hier last van. Het begrip “luizenmoeder” is niet voor niets in het leven geroepen…..

 

Weer snoeien ruïne Huis ter Kleef tijdens NLDoet!

Tussen al het groen in de Haarlemmer Kweektuin ligt een echt kasteel verborgen. Dit is de ruïne van het middeleeuwse kasteel Huis ter Kleef. Afgelopen jaar is tijdens de nationale vrijwilligersdag NLDoet al een flink deel van de ruïne gesnoeid. Dit jaar gaan we verder met snoeien om de ruïne beter zichtbaar te maken. Helpt u ook mee?

 

Op zaterdag 16 maart a.s. doet de Archeologische Werkgroep Haarlem e.o. samen met vrijwilligers van de Haarlemmer Kweektuin en Natuur- en Milieueducatie (NME) van de gemeente Haarlem mee aan NLDoet. Door een uitgebreide snoeibeurt wordt de ruïne van het kasteel Huis ter Kleef weer zichtbaar en beleefbaar gemaakt voor de bezoekers van Haarlemmer Kweektuin. Want wie wil er nou geen leuk kasteel?

Aanmelden
U kunt zich aanmelden via: vrijwilligers@haarlemmerkweektuin.nl. Wie wil komen kijken is ook van harte welkom. We zijn van 10.00 tot 14.00 uur in de Haarlemmer Kweektuin!

Haarlemmer Kweektuin
Kleverlaan 9
2023 JC Haarlem

Een prins in brokken!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een tegeltableau.

Begijnhof
In 1975 vond op het Begijnhof een opgraving plaats. In een beerput werden verschillende voorwerpen van keramiek aangetroffen, waaronder enkele fragmenten van een tegeltableau. Op deze fragmenten zijn diverse geschilderde elementen te herkennen, zoals een deel van een harnas met een staf, een baard boven een kanten kraag en de bovenzijde van een hoofd. Van de andere fragmenten werd de versiering niet zo gauw herkend. Wie zou dit kunnen zijn? Het moest wel een persoon van aanzien zijn geweest vanwege de staf, zoals die werd gedragen door onder andere Fernando Alvarez de Toledo of Michiel de Ruyter als teken van gezag.

Digitaal opgraven
Via het internet werd al gauw duidelijk dat op het tableau prins Frederik Hendrik van Nassau staat afgebeeld. Een vrijwel exact tableau met de prins is 1619 gedateerd en voorzien van zijn naam. Makkelijker kan haast niet. Een schilderij of gravure van de prins heeft voor beide tableaus als model gediend. Maar wie was nou eigenlijk deze prins? Veel mensen weten niets van hem af, dus hierbij een kleine greep uit de vaderlands geschiedenis.

Willem van Oranje
Frederik Hendrik 1584- 1647, graaf van Nassau, prins van Oranje, was het jongste kind van Willem van Oranje en Louise de Coligny. Hij werd geboren enkele maanden nadat het gezin had moeten vertrekken uit Antwerpen. Frederik werd door zijn moeder met grote zorg opgevoed en droeg levenslang in uiterlijke en innerlijke beschaving, alsmede in zijn religieuze opvattingen het stempel van haar tolerante en vrijzinnige geest.

Militaire loopbaan
Bestemd voor een militaire loopbaan, werd Frederik door kopstukken uit prins Maurits’ keurtroepen in krijgskunde onderwezen. Ruim een jaar diende hij als page aan het Franse hof, maar in 1599 keerde hij op verlangen van de Hollandse regenten naar de Nederlanden terug.

Op de fragmenten: links een deel van een helm met pluim, geheel boven een deel van een hoofd, een baard met molensteenkraag, een deel van een gordel en als laatste een deel van een harnas met staf.

Als lid van prins Maurits’ staf nam hij al deel aan diens operaties; de slag bij Nieuwpoort (1602), belegeringen van Grave (1602), Sluis (1604) en Bredevoort (1607). Na afloop van het Twaalfjarig bestand (1621) werd hij generaal der cavalerie en vlak voor de dood van Maurits (1625) opperbevelhebber van de Staatse legers. Kort daarna werd hij diens opvolger als kapitein- en admiraal-generaal en tevens stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel.

Als “stedendwinger” vestigde hij zijn naam door de geslaagde belegeringen van onder andere Groenlo (1627), Maastricht, Sittard, Roermond (1632) en ten slotte Sas van Gent (1644). Een bezig baasje dus, die ook in de toenmalige politiek zijn mannetje stond. In 1647 stierf Frederik op 63 jarige leeftijd, een jaar voor de Vrede van Munster.

Afbeelding compleet tegeltableau:  collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Zie: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.54802

Koken in de middeleeuwen

Tijdens het archeologisch onderzoek van het kasteel Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin (1990-1994), zijn massa’s scherven keramiek gevonden. Veel van deze scherven zijn afkomstig van de potten en pannen die voor de voedselbereiding en het tafelen werden gebruikt.

Keukengerei
In de middeleeuwen werd het eten meestal in keukengerei van keramiek bereid. Keukengerei van metaal, zoals grapen (kookpotten), ketels en braadpannen waren erg duur en daarom zag je deze voorwerpen vooral bij de welgestelden en niet bij de gewone man. Zo zou het bezit van een boerenfamilie bijvoorbeeld kunnen bestaan uit kookpotten van keramiek, een paar houten nappen en schalen. Metalen keukengerei wordt echter niet vaak aangetroffen tijdens archeologisch onderzoek. Zo kennen we van Huis ter Keef slechts enkele fragmenten van metalen kookpotten. Het metaal was minder breukgevoelig en kon daarnaast als grondstof worden hergebruikt. Keramiek breekt daarentegen makkelijk en werd dan weggeworpen. De vele honderden kilo’s scherven uit de gracht van Huis ter Kleef illustreren dat er nog wel eens een potje tijdens het koken, tafelen of afwassen brak!

Koken, bakken en tafelen
Koken deed men lange tijd op een open vuur. Er werd een ketel van metaal boven het vuur gehangen, of er werd een grape bij het brandende hout/kolen gezet. Men kookte zo eenpansgerechten. De vuurplaats was in eerste instantie vaak in het midden van de ruimte, zodat deze werd mee verwarmd. Stenen huizen en kloosters kenden gemetselde schouwen tegen de wand, met een schoorsteen voor de rookafvoer naar buiten.
Naast koken werd ook gegrild, gerookt en in de oven gebakken. De oven werd eerst van binnen met takkenbossen warm gestookt. Daarna werd de oven schoongeveegd en vervolgens werden er broden in gebakken. Deze hadden de hoogste temperatuur nodig. Na het bakken van de broden was de temperatuur van de oven gedaald en werden er etenswaar in gebakken die niet zoveel warmte nodig hadden, bijvoorbeeld pasteien of taarten.
Het eten werd vervolgens op grote schalen opgediend en gezamenlijk opgegeten. Broodpap en soep gingen in kommen die men eveneens deelde. Van oudsher werd brood gebruikt om van te eten. Tijdens de maaltijden werden ook vaak de lepels gedeeld.

Ontwikkelingen
De middeleeuwen beslaan een periode van 1000 jaar. Kan je dan nog over een middeleeuwse keuken spreken? En is het logisch om over zo’n lange periode over één type keuken te spreken? Als je bedenkt dat er in deze periode weinig verandering was in de manier waarop men kookte, is het niet verwonderlijk dat heel lang min of meer op de dezelfde manier werd gegeten en dezelfde gerechten werden bereid. Er was geen ontwikkeling in de gerechten. Met andere woorden, naarmate de middeleeuwen vorderde zie je nauwelijks vooruitgang in de kookkunst. Het karakter en de verfijning van de gerechten werd bepaald door de kringen waarvoor het gerecht bedoeld was. Je zou kunnen zeggen dat de sociale achtergrond werd weerspiegeld in de gerechten die men at.

Smaak
Om de smaak van de middeleeuwse keuken te begrijpen moet naar de kookkunst van het Romeinse Rijk worden gekeken omdat deze nog lang na het verval van het Romeinse Rijk zijn invloed heeft behouden. De Romeinse smaak was hartig en gekruid met kruiden uit het Middellandse zeegebied. De gerechten waren mild van smaak. De scherpe specerijen uit Oost Azië werden vrijwel niet gebruikt.
Sinds de Karolingische tijd heeft de smaak zich sterk veranderd. De handel van Venetië met het Oosten is hier voor verantwoordelijk. In de 10de en 11de eeuw waren de schepen klein en de meeste winst was te behalen met niet veel plaats innemende artikelen die ten gevolge van hun zeldzaamheid heel kostbaar waren. De Aziatische specerijen voldeden hier aan. Deze werden vanuit het Oosten naar Klein-Azië gebracht en verder met schepen naar Venetië. Van hieruit werden ze over het land naar het noorden verhandeld, waar ze op de jaarmarkten werden geruild voor bijvoorbeeld Vlaams laken. Het gaat hier om bijvoorbeeld foelie, kruidnagel en een artikel uit Klein- Azië, saffraan. Een ander luxe product uit het Oosten, dat sinds de kruistochten in West -Europa gangbaar werd is de rietsuiker. Dit heeft gemaakt dat de middeleeuwse keuken, in tegen stelling tot de romeinse keuken, rijke stevige smaken heeft ontwikkeld zoals zuur en zoet en dat de gerechten stevig gekruid zijn.

Kookboeken
Het is niet bekend hoe nu precies de specerijen de smaak langzamerhand ingrijpend hebben beïnvloed en veranderd. Wat wij over recepten uit de middeleeuwen weten, is afkomstig uit kookboeken van de 14de en 15de eeuw. Van de periode voor de 14de eeuw ontbreken de kookboeken. Het eerste beroemdste kookboek was van de opperkok van de Franse koning Karel V. Dit dateerde uit omstreeks 1370. Het oudste kookboek uit de Nederlanden is uit 1510 genaamd Een notabel boexcken van cokeryen.

Rijk en arm
Wij hebben dus vooral een beeld wat de rijken aten. Op tafel van de rijken kwamen de meest lekkere gerechten terecht zoals pasteien gevuld met vis of vlees en iedere maaltijd bestond uit meerdere gangen. Over hoe de plattelands- en stadsbevolking zich heeft gevoed is niet veel te zeggen omdat daarover veel informatie ontbreekt. Dat de gewone man niet altijd kon rekenen op een gevarieerde maaltijd is zeker. Men kan vermoeden dat zij brood, graanpap, reuzel, worst en vis aten. Eventueel aangevuld met groenten zoals uien en kool. Waarschijnlijk werd er weinig tot geen fruit gegeten omdat dit niet als gezond werd beschouwd. Archeologische vondsten zouden hier een aanwijzing kunnen geven uit de botten en pitten die gevonden worden.

Eetpatroon
Zowel rijk als arm at twee keer per dag. Aan het einde van de ochtend en aan het einde van de dag. Verder werden de kerkelijke voorschriften gevolgd zoals de vastentijd voor Pasen (geen vlees en geen zuivel) en geen vlees op de vrijdag. Er werd dus veel vis gegeten en eieren. Als bijgerecht was brood belangrijk. Wit brood bij de welgestelden en roggebrood bij de armen. Melk werd niet gedronken. Hier werd kaas en boter van gemaakt. Wijn werd alleen door de rijken gedronken en bier door zowel de armen en de rijken. Kinderen begonnen er al op jonge leeftijd mee.

Voor de middeleeuwen kan je dus zeker zeggen ”de mens toont wie hij is door wat hij eet”.

2018: een jaar vol archeologie!

Archeologie is eigenlijk één groot jaarverslag over het verleden: van de verre prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog. Een overzicht van slechts één jaar lijkt dat ook een speldenprikje in de tijd. Maar wie terugblikt op afgelopen jaar ziet dat er weer ontzettend veel is gedaan: van opgravingen tot publieksactiviteiten als NLDoet, Open Monumentendag en de Nationale Archeologiedagen. Kortom, 2018 was weer een fantastisch archeologisch jaar!

Veldwerk
Al zeer vroeg in jaar hielpen de AWH-leden enthousiast mee bij het archeologische onderzoek in de Haarlemmer kweektuin, waar zich de restanten van het kasteel Huis ter Kleef bevinden. Tijdens de aanleg van nieuwe nutsvoorzieningen werd door archeologisch Bureau BAAC een begeleiding uitgevoerd, waarbij muren en delen van de omringende gracht van de voorhof in kaart konden worden gebracht.

Een ander project waarbij leden van de AWH assisteerden is het onderzoek van Gierstraat 35. Behoud van het bouwvallige pand was niet mogelijk, maar dankzij de inspanningen van Team Archeologie van de gemeente Haarlem
kon het pand voorafgaand aan de sloop bouwhistorisch worden onderzocht. Na de sloop werd door archeologisch bureau ADC een onderzoek op het terrein uitgevoerd. De AWH hielp zowel bij het veldwerk als het wassen van de vondsten uit de aangetroffen beerput.
Tot slot werd onder auspiciën van Team Archeologie Haarlem in de Haarlemmer Kweektuin booronderzoek uitgevoerd. Door het zetten van grondboringen is de ondergrond van het kasteelterrein in kaart gebracht. Hierdoor is er meer inzicht in de relatie tussen de bodem en het gebruik van het terrein, van de prehistorie tot de Nieuwe Tijd.

Binnenwerk
Gedurende het hele jaar is gewerkt aan het puzzelen van de scherven keramiek en glas van diverse opgravingen. Naast het bekende meerjarige project kasteel Huis ter Kleef werd in de Bakenesserkerk geassisteerd bij het puzzelen van de scherven uit de beerputten van de Koningstraat en Gierstraat. Dankzij het geduldig puzzelen konden vele voorwerpen worden gereconstrueerd en gedateerd. Hierdoor hebben we bijgedragen aan een beter beeld van de bewoners van de locaties en gebruikers van de voorwerpen door de tijd heen. Het gruis uit de beerput van Gierstraat 35 werd aansluitend uitgeplozen en leverde vele kleine voorwerpen op als kraaltjes, kledinghaakjes, scherfjes, pitjes, pijpensteeltjes en zelfs stukjes zeventiende eeuws (wc-)papier!

Publieksactiviteiten
Het is altijd dankbaar werk om kennis en enthousiasme voor archeologie met het publiek te delen. Zo gaven leden van de AWH een lezing over de opgraving van de locatie Grote Markt 16, het smalle pandje pal naast het Archeologisch Museum. Over de vondsten en verhalen van deze opgraving werd door Team Archeologie in het Archeologisch Museum een leuke tentoonstelling gemaakt. En tijdens de Winterfair in het Kweekcafé in de Haarlemmer Kweektuin gaf een van de leden een presentatie over koken in de middeleeuwen. Hierbij werden ook echte middeleeuwse voorwerpen getoond die enkele meters verderop in de kasteelgracht waren opgegraven.
Met hulp van het publiek werd in samenwerking met de dienst Natuur Milieu Educatie (NME) van de gemeente Haarlem tijdens de landelijke vrijwilligersdag NLDoet de ruïne van het kasteel Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin van bramenstruiken en struikgewas ontdaan, waardoor de ruïne weer zichtbaar en beleefbaar is voor het publiek.

Traditiegetrouw waren de leden van de AWH weer present tijdens de landelijke Open Monumentendag en de Nationale Archeologiedagen. Het thema ‘Europa’ van de Open Monumentendag werd luister bijgezet in de Haarlemmer Kweektuin. Op een standje kon het publiek opgegraven voorwerpen uit de gracht van het kasteel Huis ter Kleef bekijken. Veel van deze voorwerpen bleken afkomstig uit diverse Europese landen.
Voor het eerst mocht het publiek tijdens de Nationale Archeologiedagen onder begeleiding van archeologen van Team Erfgoed van de gemeente Haarlem en leden van de AWH zelf aan de slag met de kort daarvoor opgegraven scherven uit de beerput van Gierstraat 35. Veel Haarlemmers hadden de smaak al snel te pakken en wisten van een hoopje scherven weer fraaie voorwerpen te puzzelen. Het directe contact met het verleden werd als zeer uniek ervaren!

Bouwhistorie
Een nieuwe loot aan de stam is de in 2018 opgerichte Werkgroep Bouwhistorie Haarlem van de AWH. Naast de ondergrond is er bovengronds namelijk nog veel te ontdekken. De werkgroep heeft zich bezig gehouden met het oefenen van opmetingen en archiefonderzoek voor diverse locaties, waaronder een kelder van een particuliere woning en een heel bouwblok in het centrum van Haarlem. Het bouwblok herbergt mogelijk nog delen van een van de vele middeleeuwse kloosters die Haarlem rijk was.

Communicatie
Zelf bezig zijn met archeologie is fantastisch, maar het delen van alle ontwikkelingen en ontdekkingen met andere belangstellenden is natuurlijk nog veel leuker! Zo hebben we regelmatig op onze website berichten geplaatst, waaronder 10 keer de Vondst van de Maand. En via onze Facebook-pagina deden we wekelijks verslag van onze werkzaamheden. In totaal zijn er afgelopen jaar maar liefst 115 berichtjes op de Facebook-pagina geplaatst!

Samenwerking
Het jaar 2018 was een buitengewoon succesvol jaar, vol archeologie en fijne contacten met het publiek en de vele archeologen waarmee we hebben samengewerkt. Veel dank gaat dan ook uit naar de fantastische collega’s van Team Archeologie van de gemeente Haarlem!

Alweer een walvisbot aangetroffen in Bloemendaal!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een walvisbot.

In het najaar van 2018 vonden er op het landgoed Leyduin in de gemeente Bloemendaal grondwerkzaamheden plaats ten behoeve van de herinrichting van het landgoed. Dit betrof voornamelijk de aanleg van nieuwe toegangspaden, een nieuwe oeverovergang aan de noordzijde van de Kromme Vaart en een tweetal vijvers om amfibieën te laten overwinteren. De ontgraving van de vijvers is door een lid van onze werkgroep archeologisch begeleid. Tijdens het ontgraven van een van de vijvers werden een aantal fragmenten van een walvisbot aangetroffen. Dit is de tweede keer dat in de gemeente Bloemendaal zo’n walvisbot is aangetroffen.

Spek en walviskaken
Het is bekend uit historische bron dat walvisvaarders in de 17e eeuw na het verwijderen van het spek ook de walviskaken mee terug naar huis namen. Tevens is bekend dat er vanaf de 16e eeuw meldingen zijn van een aantal strandingen, voornamelijk van potvissen. Kaken waren van potvissen waren meestal tussen de 3.00 en 4.00 meter lang en voorzien van 40 tot 50 grote kogelvormige zwaar ivoren tanden. Deze tanden werden door de zeelieden gegraveerd en van prachtige taferelen voorzien. Ook werden er sier- of gebruiksvoorwerpen van de tanden gemaakt.
Aan boord van het schip of aan land werd aan de onderzijde van het walvisbot een aantal gaten geboord om de zogenaamde ‘kneekolie’ te verzamelen. Deze olie was zeer geschikt als lampolie.

In een van de aangetroffen walvisbotfragmenten werd een boorgat aangetroffen. Dit gat is aangebracht om kneekolie te winnen.

Van schuurpaal tot toegangspassage
De walviskaken afkomstig van walvisvaarders en die van gestrande walvissen werden verkocht en gebruikt als schuurpalen voor het vee, grenspalen en als toegangspassage bij boerderijen en buitenplaatsen. De aangetroffen fragmenten van het walvisbot op het Landgoed Leyduin kunnen onderdeel zijn geweest van een erfafscheiding, toegangspoort of ‘schuurpaal’ voor het vee. De locatie van het gevonden bot maakte in de 17e eeuw onderdeel uit van de buitenplaats.

Locatie aangetroffen walvisbot in het rode omcirkeld gebied (midden, boven). Fragment uit de kaart uit 1687 van Dou en Van Broeckhuysen, collectie Hoogheemraadschap Van Rijnland, A-4302.

Buitenplaats Vreedelust
In 1996 werd bij grondwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouwwijk het Bleekersveld te Overveen reeds een fragment van een walvisbot aangetroffen. (zie ook Haarlems bodemonderzoek nr. 35). In het bot zaten eveneens boorgaten om de kneekolie te winnen. De ouderdom van het bot is aan de hand van de C-14 methode (ouderdomsbepaling aan de hand van koolstof) gedateerd in de 18e eeuw. Na historisch onderzoek van het gebied bleken deze gronden in de 18e eeuw onderdeel te zijn geweest van de buitenplaats Vreedelust, later geheten Het Anker, gelegen aan de Bloemendaalseweg. Het fragment van het aangetroffen bot/kaak zou onderdeel geweest kunnen zijn van de walviskaken op onderstaande prent.

Een tekening door J.W.Hasselt uit 1816 van de Blauwselfabriek ‘Het Anker, voorheen was hier de buitenplaats Vreedelust gevestigd, mogelijk waren de walviskaken hier een restant van. Noordhollands Archief, Atlas 36/23