Tring, tring!

Gebruiksartikelen
In elke eeuw werd wel een of andere belasting op gebruiksartikelen geheven. Zo had je onder andere de deur-, wiel-, raam- en weeldebelasting. Hoe groter de deur of een raam, hoe meer je moest betalen. Van koetsen werden zelfs de wielen vervangen door een slede, want hier hoefde dan geen belasting voor betaald te worden. En fraaie meubels werden met zwart overgeschilderd om de weeldebelasting te ontlopen! Hardnekkig is nog steeds de hondenbelasting, die al uit de romeinse tijd stamt.

Duitse bezetter
Een bijzondere belasting in Nederland is de rijwielbelasting. Nederland had deze belasting afgekeken van de Fransen, die hier in 1893 mee begonnen. Er wordt al sinds 1897 op onze tweewieler belasting geheven. Rond 1924 werd verplicht om voor 3 gulden een belastingplaatje voor op je fiets te kopen. Dit metalen plaatje moest op de fiets worden bevestigd.

De rijwielbelastingplaatjes werden natuurlijk veel gestolen. Ze mochten vanaf 1933 dan ook op de linkerborst worden gedragen. De rijwielbelasting duurde tot 1941. De maakte toen een einde aan deze belasting. Deze maatregel werd door veel mensen positief ontvangen, niet wetende dat enige tijd later ook het geliefde fiets moest worden ingeleverd.

Fietsenmaker
In Haarlem werden aan het begin van een opgraving enige tientallen van rijwielbelastingplaatjes onder een vloer aangetroffen. Sommige plaatjes zaten nog in een houder en op enkele plaatjes stond nog een naam. (Op de afbeelding hiernaast is de naam deels afgedekt.)  Later bleek dat op de opgravingslocatie vroeger een fietsenmaker heeft gezeten. Mogelijk verdwenen de gehate belastingplaatjes door een gat in de vloer.

Eens kijken wanneer een uitgekookte politicus de fiets als melkkoe herontdekt…

 

 

Credits afbeelding fiets met rijwielbelastingplaatje:
website Burgers ENR – De Eerste Nederlandse Rijwielfabriek,
https://burgers-enr.net/img_5748/

 

Hoogversierd aardewerk!

Kan van hoogversierd aardewerk uit Bloemendaal

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een kan van hoogversierd aardewerk uit 1250-1350. 

In komende posts wordt nader ingegaan op de verschillende versieringsvormen op hoogversierd aardewerk.

Munnix
In 2014 werden alle opgravingsgegevens en vondsten van de Archeologische Werkgroep Haarlem e.o. overgedragen aan Bureau Archeologie van de gemeente Haarlem. Tijdens de overdracht werden in een doos een groot aantal fragmenten van hoogversierd aardewerk aangetroffen. In deze doos zat ook een briefje met de tekst ‘Munnix Bloemendaal 1947’. Uit onderzoek bleek een zekere heer Munnix in deze periode woonachtig te zijn geweest in Duin en Daal, gelegen in Bloemendaal, vlakbij het voormalige dertiende-eeuwse kasteel Aelbertsberg. Omdat de vondsten van buiten het werkgebied van de gemeente Haarlem afkomstig waren, zijn alle aardewerkfragmenten overgedragen aan het Provinciaal Depot in Castricum. De provincie heeft een van de kannen laten restaureren en deze staat nu opgesteld in de permanente tentoonstelling in Huis van Hilde.

Tekening: H.J. Calkoen (overleden 1979)

Hoogversierd
Met de term hoogversierd aardewerk wordt een groep laatmiddeleeuws aardewerk bedoeld van normaal oxiderend, roodachtig tot roodbruin en witbakkend (Maaslands) aardewerk. De buitenzijde van dit aardewerk is geheel of ten minste voor het grootste deel met loodglazuur bedekt. Deze groep wordt vooral gekenmerkt door een duidelijk geaccentueerde versiering – al dan niet in hoog reliëf. Deze versieringsvorm komt voornamelijk bij kannen voor. Het materiaal onderscheidt zich sterk van de overige lokale producten door de geaccentueerde versiering. Dit contrast met het overige aardewerk en de aanzienlijk hogere productiekosten – door een langere productietijd, extra grondstoffen (witbakkende klei) en het dubbele bakproces – zorgt er voor dat het hoogversierd aardewerk zich als een luxe product onderscheidt, dat vooral gericht is op de kanvorm als tafelgerei.

De kan van hoogversierd aardewerk in de vaste opstelling van het Huis van Hilde in Castricum

Decoratieve functie
Het hoogversierd aardewerk van omstreeks 1250-1350 is het resultaat van een reeks evoluties binnen het middeleeuws pottenbakkersbedrijf. Dit betreft zowel vernieuwingen op technisch vlak als ontwikkelingen in de smaak en welstand van de kopers en in de productie-politiek van de pottenbakkers. Hoogversierd aardewerk vindt zijn oorsprong in het imiteren van vormen uit het Maasland, waar een bandglazuur op de schouder van potten en kannen enkel een decoratieve functie heeft. Het hoogversierd aardewerk van lokale of regionale herkomst verschijnt vrij plots in de late twaalfde en vroege dertiende eeuw, kort na het opduiken van de eerste hoogversierde producten in witbakkend aardewerk, afkomstig uit Noord-Frankrijk.

Vlaamse pottenbakkers
Verschillende gegevens wijzen erop dat Vlaamse pottenbakkers zich al snel losmaakten van de strikte navolging van de Noord-Franse voorbeelden en een eigen vormentaal ontwikkelden en om deze vorm van versiering in het roodbakkende aardewerk te maken. Mogelijk zijn in de periode 1250-1350 een aantal Vlaamse pottenbakkers met hun sierproducten naar het noorden gegaan en zo terecht gekomen in o.a. Aardenburg, Haarlem, Breda, Delft, Utrecht.

Literatuur:
Verhaeghe, F., 1982, Rotterdam Papers IV, A contribution to medieval archaeology, pp.151-173

Geslaagde Archeologiedag!

Gruis pluizen, scherven dateren en zelf potjes tekenen. Het kon allemaal tijdens de Archeologiedag op zaterdag 12 oktober jl. in het Archeologisch Museum Haarlem. Samen met de vrijwilligers van het museum lieten de leden van de Archeologische Werkgroep Haarlem e.o. ruim 175 geïnteresseerden – jong, oud, Haarlemmer of van ver over de grens- kennismaken met de leuke en boeiende wereld van de Nederlandse archeologie!

Hieronder enkele actiefoto’s om nog even na te genieten:

Haarlem doet weer mee aan Nationale Archeologiedagen!

Op zaterdag 12 oktober organiseren Team Archeologie Haarlem, het Archeologisch Museum Haarlem en de Archeologische Werkgroep Haarlem weer diverse activiteiten tijdens de Nationale Archeologiedagen. Er zijn leuke workshops, demonstraties en kinderactiviteiten. De activiteiten vinden plaats in het Archeologisch Museum, tussen 12.00 en 16.00 uur en zijn gratis toegankelijk. Tijdens de Archeologiedagen kan iedereen die geïnteresseerd is kennis maken met de leuke en boeiende wereld van de Nederlandse archeologie!

Programma:

Workshop gruis uitvlooien (doorlopend)
Uit de gracht van het middeleeuwse kasteel Huis ter Kleef is heel veel fijn gruis opgegraven. In dit gruis bevinden zich allerlei interessante resten, zoals botjes, schelpen en kleine voorwerpen. Denk aan knoopjes, dobbelsteentjes en spelden. Help mee met het uitzoeken van de honderden kilo’s gruis. Gewapend met een pincet en een vergrootglas kun je gelijk aan de slag.

Workshop leren scherven determineren (doorlopend)
Tijdens opgravingen worden vaak enorme hoeveelheden scherven keramiek gevonden. Help mee met determineren van de scherven. Aan de hand van kenmerken van de scherf ontdek je in enkele stappen van welk voorwerp de scherf afkomstig is en hoe oud de scherf is. We hebben een handige schervenplattegrond voor je gemaakt. Je hoeft dus echt geen volleerd archeoloog te zijn om mee te doen.

Demonstratie potjes tekenen (doorlopend)
Benieuwd wat er met alle opgegraven potjes wordt gedaan? Kijk mee met een echte tekenaar en leer waarom alle potten heel precies worden opgemeten en getekend. Ook zijn er archeologische boeken aanwezig waarin je kunt zien wat er met de tekeningen wordt gedaan en waarom ze zo belangrijk voor archeologen zijn.

Over de Nationale Archeologiedagen
De Haarlemse Archeologiedag is onderdeel van de Nationale Archeologiedagen. In dit weekend organiseren archeologen, amateurarcheologen en vrijwilligers allerlei activiteiten voor iedereen die geïnteresseerd is in het rijke verleden van ons land en de leuke en boeiende wereld van de Nederlandse archeologie. Dit jaar worden de Nationale Archeologiedagen alweer voor de vijfde keer georganiseerd. En Haarlem doet al vanaf het prille begin enthousiast mee!

Locatie:

Archeologisch Museum Haarlem
Grote Markt 18k
12.00 -16.00 uur
Alle activiteiten zijn gratis! (aanmelden niet nodig)

Meer informatie:
www.archeologiedagen.nl

Het pisglas van ‘t Krom

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een urinaal, oftewel een pisglas.

Leden van de AWH in actie tijdens de opgraving.

In 1988 is door de leden van de Archeologische Werkgroep Haarlem een archeologisch onderzoek uitgevoerd op een braak terrein ter hoogte van ’t Krom 29-39. Naast dikke ophogingslagen uit de periode 1350-1360 zijn er diverse sporen uit latere perioden aangetroffen, waaronder waterputten en beerputten. In de beerputten zijn in de beer, poep van de bewoners, veel fragmenten van gebruiksvoorwerpen gevonden, zowel van keramiek al van glas. Naast diverse drinkglazen, flessen en een drinkschaal uit de zeventiende eeuw is er ook een pisglas aangetroffen. Het pisglas dateert uit de periode 1600-1675.

Het pisglas uit de beerput van de opgraving op ’t Krom.

Glasvondsten
Alhoewel tijdens opgravingen vaak grote hoeveel heden scherven van keramiek worden gevonden zijn glasvondsten heel wat minder talrijk. Zo is het aantal glazen voorwerpen in de beerput beperkt tot 11 stuks. In andere beerputten is helemaal geen glas aangetroffen. De vondst van een pisglas op de locatie in de Bakennesserbuurt is niet opmerkelijk. Naast het gebruik van pisglazen in hospitalen werden ze namelijk ook gebruikt in burgerlijke contexten. Alhoewel het pisglas in scherven is gevonden kon het model dankzij ijverig puzzelwerk worden gereconstrueerd. Het pisglas bestond uit een bolvormig lichaam, voorzien van een hals met een platte rand.

Prudentia (detail) door Pieter Breughel (1564-1638).

Pis kijken
In vergelijking met de gevonden glasscherven van de andere voorwerpen zijn de glasscherven van het pisglas zeer dun en helder. Dit was nodig om de kleur van de urine in het pisglas goed te kunnen bestuderen. Aan de hand van de kleur van de plas werd een diagnose voor de ziekte van een patiënt gesteld. Het geringste kleurverschil kon zo worden waargenomen. Oudere pisglazen waren vaak nog gemaakt van wat dikker groen glas en waren hierdoor niet ideaal in het gebruik.

Deze manier van diagnosticeren was tot ver in de zeventiende eeuw populair. Of de zieke weer is herstelt is helaas niet uit de opgravingsgegevens uit te maken. Het pisglas is op een zeker moment gebroken en weggegooid.

 

Fragmenten glas uit Haarlem waaronder twee platte randfragmenten van dikke groenkleurige pisglazen.

De schulpboor van Bloemendaal

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een schulpboor.

In 2008 werden op de gemeentegrens van Bloemendaal en Velsen rioleringswerkzaamheden uitgevoerd. Deze werkzaamheden werden door een lid van de Archeologische Werkgroep Haarlem e.o. archeologisch begeleid. Tijdens deze werkzaamheden werd in de ontgraven grond een bijzonder ijzeren voorwerp aangetroffen. Het betreft een schulpboor voor het uitboren van boomstammen.

Waargenomen rechthoekige watergoot, in 2001, bij de nieuwbouw van het Bispinckpark te Bloemendaal. Tijdens archeologische begeleidingen zijn in Bloemendaal op diverse plaatsen dergelijke ondergrondse watergoten waargenomen.

Blekerijen
In het gebied waar de schulpboor is gevonden waren vanaf de zeventiende eeuw blekerijen gevestigd. Een van de noodzakelijkheden voor het productieproces in de blekerij was een constante aanvoer van water. Dit water kwam als drangwater uit de duinen en werd door middel van ondergrondse rechthoekige houten goten of uitgeholde boomstammen langs de verschillende productiegangen in de blekerij geleid.

 

Prent van het inwendig uitboren van een boomstam. Caspar Luyken, naar Jan Luyken 1694- Rijksmuseum.

Uithollen
Om een boomstam uit te boren was de volgorde van dit proces als volgt: eerst werd met een neuslepelboor of een schroefboor een gat met kleine middellijn door de hele lengte van de boomstam geboord. Voor het vergroten van de diameter van het geboorde gat werd vervolgens de schulpboor ingezet. Hiervoor werd een touw door het gat getrokken, dat vervolgens aan de haak van de schulpboor bevestigd. Aan de andere zijde van de schulpboor werd een kruisvormige kruk (handvat), gewoonlijk van hout, gedeeltelijk van metaal bevestigd. Om over een grote lengte te kunnen boren werden er een aantal verlengstukken aan elkaar bevestigd. Door het touw aan de andere zijde van de boomstam onder druk te zetten en de schulpboor aan de voorzijde te draaien werd over de gehele lengte van de boomstam een grotere diameter van het geboorde gat verkregen.

Schulpboren werden horizontaal gebruikt en konden door een of twee man worden gehanteerd. Wanneer twee vaklui samenwerkten, keek de een naar de buis en hanteerde het werktuig. De ander zorgde voor trekkracht aan het touw aan het andere eind van de boomstam. Aangezien het gat in de boomstam zeer nauwkeurig geboord moest worden en de schulpboor lang en zwaar was, rustte de stang op een schraag of tussen twee palen.

De schulpboor is overgedragen aan het Provinciaal Depot voor Archeologie in Castricum.

Foto’s zijn gemaakt door Kees Zwaan, Assistent beheerder Provinciaal Depot voor Archeologie – Regionale Economie en Erfgoed.

 

 

Een halfje en een plakker!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een cent.

Kerken
Regelmatig vinden we tijdens een opgraving muntstukken. Soms zijn het bijzondere munten van goud of zilver, maar vaak zijn het gangbare munten als duiten en euro’s. Een enkele keer vinden we een halve cent en een 2½ halve cent. Deze muntjes zijn vooral tijdens de opgravingen in de St. Bavo en de Waalse kerk in Haarlem gevonden. Vermoedelijk zijn de muntjes gevallen tijdens het collecteren en zo in de bodem beland.

Het decimale stelsel
De halve cent deed zijn intrede na de Franse periode In 1817 werd op grond van de muntwet het decimale stelsel ingevoerd. De eerste halve centen werden geslagen in 1818 en hadden een waarde van tweehonderdste deel van een gulden. De waarde van deze munt was gering, nog minder dan een duit waarvan er 160 in een gulden gingen. In de eerste twee jaar was de muntslag beperkt maar na deze aanloopperiode sloeg vaak miljoenen centen per jaar. De halve cent zou tot 1940 in gebruik blijven.

Koning Willem I
Tijdens de regeerperiode van Koning Willem I is op de voorzijde van de halve cent een gekroonde letter W tussen het jaartal afgebeeld en staat op de achterzijde een gekroond Nederlands wapen tussen ½ en de letter C. In 1878 veranderde de uitvoering van de munt: aan de voorzijde zijn twee samengebonden oranjetakken afgebeeld, met halve cent in het midden. Op de achterzijde is het wapen van het Koninkrijk der Nederlanden in tekst en beeld en het jaartal van emissie weergegeven.

Gezegdes
Er zijn over halve centen maar enkele gezegdes bekend, zoals ‘Ik vertrouw hem voor geen halve cent’ (iemand helemaal niet vertrouwen) en “Bekend zijn als een slechte halve cent” (overal bekend zijn net als ondeugdelijk geld). Een ander fraai gezegde gaat over opscheppers: ‘Geen halve cent in de zak en drie gulden aan het voorhoofd’.

 

Plakker
In 1877 werd een nieuw muntstuk in omloop gebracht, de 2 ½ cent. Deze munt wordt ook wel plakker, halve stuiver of 4 duitstuk genoemd. De uitvoering van de 2 ½ cent is vrijwel hetzelfde als de halve cent van 1936. De munt is alleen groter en voorzien van de aanduiding 2 ½ cent. De munt werd geslagen in brons, maar in de oorlogsjaren 1941 en 1942 werd deze van zink gemaakt. De munten uit 1942 gelden als zeldzaam, want vrijwel direct nadat ze waren geslagen werden ze weer vernietigd. Er zijn slechts 200.000 exemplaren in omloop gebracht. Na 1942 werden geen plakkers meer geslagen.

Een gezegde of spreekwoord over een 2 ½ cent is er eigenlijk niet, we kennen er eigenlijk maar een en dat zou een echte Haarlemse zijn: ‘ik heb geen rooie plakker!’ (helemaal geen geld hebben)