Een prins in brokken!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een tegeltableau.

Begijnhof
In 1975 vond op het Begijnhof een opgraving plaats. In een beerput werden verschillende voorwerpen van keramiek aangetroffen, waaronder enkele fragmenten van een tegeltableau. Op deze fragmenten zijn diverse geschilderde elementen te herkennen, zoals een deel van een harnas met een staf, een baard boven een kanten kraag en de bovenzijde van een hoofd. Van de andere fragmenten werd de versiering niet zo gauw herkend. Wie zou dit kunnen zijn? Het moest wel een persoon van aanzien zijn geweest vanwege de staf, zoals die werd gedragen door onder andere Fernando Alvarez de Toledo of Michiel de Ruyter als teken van gezag.

Digitaal opgraven
Via het internet werd al gauw duidelijk dat op het tableau prins Frederik Hendrik van Nassau staat afgebeeld. Een vrijwel exact tableau met de prins is 1619 gedateerd en voorzien van zijn naam. Makkelijker kan haast niet. Een schilderij of gravure van de prins heeft voor beide tableaus als model gediend. Maar wie was nou eigenlijk deze prins? Veel mensen weten niets van hem af, dus hierbij een kleine greep uit de vaderlands geschiedenis.

Willem van Oranje
Frederik Hendrik 1584- 1647, graaf van Nassau, prins van Oranje, was het jongste kind van Willem van Oranje en Louise de Coligny. Hij werd geboren enkele maanden nadat het gezin had moeten vertrekken uit Antwerpen. Frederik werd door zijn moeder met grote zorg opgevoed en droeg levenslang in uiterlijke en innerlijke beschaving, alsmede in zijn religieuze opvattingen het stempel van haar tolerante en vrijzinnige geest.

Militaire loopbaan
Bestemd voor een militaire loopbaan, werd Frederik door kopstukken uit prins Maurits’ keurtroepen in krijgskunde onderwezen. Ruim een jaar diende hij als page aan het Franse hof, maar in 1599 keerde hij op verlangen van de Hollandse regenten naar de Nederlanden terug.

Op de fragmenten: links een deel van een helm met pluim, geheel boven een deel van een hoofd, een baard met molensteenkraag, een deel van een gordel en als laatste een deel van een harnas met staf.

Als lid van prins Maurits’ staf nam hij al deel aan diens operaties; de slag bij Nieuwpoort (1602), belegeringen van Grave (1602), Sluis (1604) en Bredevoort (1607). Na afloop van het Twaalfjarig bestand (1621) werd hij generaal der cavalerie en vlak voor de dood van Maurits (1625) opperbevelhebber van de Staatse legers. Kort daarna werd hij diens opvolger als kapitein- en admiraal-generaal en tevens stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel.

Als “stedendwinger” vestigde hij zijn naam door de geslaagde belegeringen van onder andere Groenlo (1627), Maastricht, Sittard, Roermond (1632) en ten slotte Sas van Gent (1644). Een bezig baasje dus, die ook in de toenmalige politiek zijn mannetje stond. In 1647 stierf Frederik op 63 jarige leeftijd, een jaar voor de Vrede van Munster.

Afbeelding compleet tegeltableau:  collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Zie: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.54802

Alweer een walvisbot aangetroffen in Bloemendaal!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een walvisbot.

In het najaar van 2018 vonden er op het landgoed Leyduin in de gemeente Bloemendaal grondwerkzaamheden plaats ten behoeve van de herinrichting van het landgoed. Dit betrof voornamelijk de aanleg van nieuwe toegangspaden, een nieuwe oeverovergang aan de noordzijde van de Kromme Vaart en een tweetal vijvers om amfibieën te laten overwinteren. De ontgraving van de vijvers is door een lid van onze werkgroep archeologisch begeleid. Tijdens het ontgraven van een van de vijvers werden een aantal fragmenten van een walvisbot aangetroffen. Dit is de tweede keer dat in de gemeente Bloemendaal zo’n walvisbot is aangetroffen.

Spek en walviskaken
Het is bekend uit historische bron dat walvisvaarders in de 17e eeuw na het verwijderen van het spek ook de walviskaken mee terug naar huis namen. Tevens is bekend dat er vanaf de 16e eeuw meldingen zijn van een aantal strandingen, voornamelijk van potvissen. Kaken waren van potvissen waren meestal tussen de 3.00 en 4.00 meter lang en voorzien van 40 tot 50 grote kogelvormige zwaar ivoren tanden. Deze tanden werden door de zeelieden gegraveerd en van prachtige taferelen voorzien. Ook werden er sier- of gebruiksvoorwerpen van de tanden gemaakt.
Aan boord van het schip of aan land werd aan de onderzijde van het walvisbot een aantal gaten geboord om de zogenaamde ‘kneekolie’ te verzamelen. Deze olie was zeer geschikt als lampolie.

In een van de aangetroffen walvisbotfragmenten werd een boorgat aangetroffen. Dit gat is aangebracht om kneekolie te winnen.

Van schuurpaal tot toegangspassage
De walviskaken afkomstig van walvisvaarders en die van gestrande walvissen werden verkocht en gebruikt als schuurpalen voor het vee, grenspalen en als toegangspassage bij boerderijen en buitenplaatsen. De aangetroffen fragmenten van het walvisbot op het Landgoed Leyduin kunnen onderdeel zijn geweest van een erfafscheiding, toegangspoort of ‘schuurpaal’ voor het vee. De locatie van het gevonden bot maakte in de 17e eeuw onderdeel uit van de buitenplaats.

Locatie aangetroffen walvisbot in het rode omcirkeld gebied (midden, boven). Fragment uit de kaart uit 1687 van Dou en Van Broeckhuysen, collectie Hoogheemraadschap Van Rijnland, A-4302.

Buitenplaats Vreedelust
In 1996 werd bij grondwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouwwijk het Bleekersveld te Overveen reeds een fragment van een walvisbot aangetroffen. (zie ook Haarlems bodemonderzoek nr. 35). In het bot zaten eveneens boorgaten om de kneekolie te winnen. De ouderdom van het bot is aan de hand van de C-14 methode (ouderdomsbepaling aan de hand van koolstof) gedateerd in de 18e eeuw. Na historisch onderzoek van het gebied bleken deze gronden in de 18e eeuw onderdeel te zijn geweest van de buitenplaats Vreedelust, later geheten Het Anker, gelegen aan de Bloemendaalseweg. Het fragment van het aangetroffen bot/kaak zou onderdeel geweest kunnen zijn van de walviskaken op onderstaande prent.

Een tekening door J.W.Hasselt uit 1816 van de Blauwselfabriek ‘Het Anker, voorheen was hier de buitenplaats Vreedelust gevestigd, mogelijk waren de walviskaken hier een restant van. Noordhollands Archief, Atlas 36/23

 

Een laat-neolithische bijl uit Haarlem

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een laat-neolithische bijl.

In de zomer van 1986 kreeg de Archeologische Werkgroep Haarlem gelegenheid om onderzoek te doen op de plek waar de Haarlemse Auto Centrale (HAC) had gestaan aan de Jansweg nr. 9-15. De gebouwen van de HAC hadden geruime tijd leeggestaan en werden de laatste jaren door krakers bewoond die beruchte feesten gaven.

Strandwal
Het onderzoek naast het spoor en op zichtafstand van het Station Haarlem lag op de oostflank van de strandwal. Deze strandwal waarop de stad Haarlem zich ontwikkelde ligt noord-zuid georiënteerd. De voor Haarlemse begrippen grote opgravingsput werd droog gehouden door een bronbemaling, die één van de werkgroepsleden ’s morgens om acht uur aanzette, zodat wij bij aanvang van de opgraving droge voeten hielden. Het deed denken aan een grote zandbak waarin zich diverse sporen aftekenden.

Akkerlagen
Er werden twee akkerlagen gevonden, die door verstuiving van elkaar gescheiden waren met daarin duidelijke ploegsporen. Daarnaast waren diverse greppels en kuilen waar te nemen waaronder enkele paalkuilen. De sporen die hier werden gevonden dateren uit de late Steentijd circa 1800 voor Christus. Het aardewerk dat gevonden werd was van het type klokbeker en een enkel stuk wikkeldraad. Naast vuursteenafslagen kwamen er ook knoopschrabbers uit de grond. De vlakken werden geschaafd met z’n allen op een rij, waarbij het zand naar achteren werd weggewerkt.

Bijl en pijlpunt
Die zaterdag was het een mooie en heldere dag, de scheppen schoven makkelijk door het zand van de strandwal met zo hier en daar een tik als een steentje of vuursteen werd geraakt. De schep van een van de gravers raakte iets hards en voorzichtig werd er met de troffel verder geschaafd en daar kwam tot ieders verrassing een kleine bijl tevoorschijn. Helemaal rood gekleurd door de vochtige ondergrond. Later verkleurde hij naar zacht rose en grijsblauw. Het was helemaal een goede dag want op een later moment werd een prachtige pijlpunt door een van de andere werkgroepsleden gevonden. Een dag om nooit te vergeten.

De laat-neolithische bijl is te bewonderen in de vaste opstelling van het Archeologisch Museum aan de Grote Markt in Haarlem.

Een tegel met Huis ter Kleef?

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een tegel.

Stationsplein
Het zal in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw zijn geweest dat ten behoeve voor de uitbreiding van het stationsplein in Haarlem een heel blok huizen werd gesloopt. Met graafmachines werden de funderingen, beerputten en al wat er in de grond zat eruit getrokken. Wat overbleef was een grote kale plek vol met huishoudelijk- en bedrijfsafval uit voorgaande eeuwen, het duurde niet lang of op deze plek wemelde het van “ verzamelaars van antiquiteiten”. Ook een van de AWH-leden is hier toen gaan kijken en verbaasde zich over de hoeveelheid scherven, pijpenkoppen tegels enz. In een hoopje grond vond hij toen een in drie stukken gebroken tegel met de afbeelding van een ruïne, samen met wat pijpenkoppen en een bordje met een chinees erop geschilderd. De vondsten werden thuis een poosje tentoongesteld maar verdwenen na verloop van tijd in een Brabantia broodtrommel. Tijdens meerdere verhuizingen ging ook de broodtrommel met inhoud mee, waarna deze zijn plek vond in een nieuwe berging of schuur.

Opgraving
In de jaren 90 vorige eeuw keek de vinder na jaren weer eens naar de inhoud van de broodtrommel. De voorstelling op de tegel kwam hem toen in ene wel heel bekend voor, namelijk de ruïne van Kleef, waar de AWH op dat moment een opgraving had!

Op de tegel in het midden de traptoren zichtbaar, met aan de voet van deze toren een S- vormig bouwsel dat de restanten van een kelder moet voorstellen. Op de achtergrond is ook het torentje van de kaatsbaan zichtbaar. Links zien we nog een ronde toren maar die is aan de fantasie van de kunstenaar ontsproten en heeft hier in het echt niet gestaan.

Productie
Voorstellingen op tegels werden meestal ontleend aan prenten of etsen. De contouren van de voorstelling werden dan doornmiddel van gaatjes in het papier te prikken gevolgd. Deze ‘mal’ werd dan op een nieuwe tegel gelegd en met een zakje droog gekleurd poeder bestoven. Als de mal werd verwijderd bleef een gekleurd spoor achter, dat het contour van de afbeelding aangaf. Hierna werd dit spoor met een penseel met verf gevolgd. Dit wordt de trek genoemd. Na deze behandeling werd de rest van de afbeelding ingevuld. Op deze manier kon snel een voorraad tegels worden beschilderd.

Prenten
Maar terug naar de gevonden tegel, van deze voorstelling moest een prent of ets bestaan maar deze is nog niet teruggevonden. Een van de prenten die hier het meest op lijkt is gemaakt door C. Pronk rond 1740, hierop zien we ook de traptoren met het S- vormige bouwsel met een raampje of nis die ook zo op de tegel voorkomt. En op de achtergrond is het torentje van de kaatsbaan zichtbaar. C. Pronk heeft iets meer naar links gestaan met het vervaardigen van zijn ets, dan de kunstenaar die de ets maakte welke tot voorbeeld diende voor de tegel.

In 1739 maakte de kunstenaar H. Spilman een prent van het complex in nagenoeg dezelfde richting als die op de tegel. In het rechtergedeelte van de traptoren zien we nu een rij openingen zitten; voor vensters of deur. Echter het S- vormige bouwsel heeft hier zijn vorm verloren.

Kortom, of de afgebeelde ruïne op de tegel het Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin is kunnen we nog niet met zekerheid te zeggen. Het lijkt er in ieder geval wel héél erg op. En dat is op zich natuurlijk ook al een leuk verhaal!

Een kacheltegel uit Huis ter Kleef

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een kacheltegel.

Het kasteel Huis ter Kleef was in 1572 en 1573 het hoofdkwartier van de Spanjaarden tijdens het Beleg van Haarlem. In 1573 werd het kasteel opgeblazen door Don Frederik (de zoon van de hertog van Alva). Dit deed hij om te voorkomen dat de Geuzen zich in het kasteel zouden vestigen om Haarlem te heroveren. Tijdens archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw is een deel van de gracht opgegraven. Toen kwamen tussen een enorme berg scherven, een paar stukken van een kacheltegel tevoorschijn, die eenmaal aan elkaar gepast, een bijna complete tegel vormden.

Warmtebron
Tegelkachels zijn ontstaan in Centraal Europa in de 12de en 13de eeuw. Later verbreidde het gebruik ervan zich uit over Noordwest-Europa.In de Middeleeuwen verwarmde men zich in de meeste huizen bij een open vuur op de vloer of in de wandschouw. Daarnaast kwam ook een gesloten warmtebron, de uit tegels van aardewerk gemetselde kachel in gebruik. De voordelen van de tegelkachel waren: afwezigheid van hinderlijke rook, een gelijkmatiger verspreiding van de warmte en een economischer brandstofverbruik. Maar daar hing dan wel een prijskaartje aan, want de vervaardiging was heel duur. Daarom treffen we ze in de 12de en 13de eeuw vooral aan in adellijke behuizingen. Behalve in adellijke woongebouwen zoals burchten en kastelen, zijn ook resten van tegelkachels in abdijen, herenhuizen, en in belangrijke stedelijke en openbare gebouwen gevonden.

Vervaardiging
De tegelkachels bestonden uit een onderbouw waarin het vuur werd gestookt en een bovenbouw die de uitstraling van de warmte verhoogde. Ze werden met de achterzijde tegen een muur geplaatst en van brandstof voorzien door een opening in de wand. Dit gebeurde vanuit een aangrenzend vertrek, bijvoorbeeld de keuken of een buitenplaats. Via deze weg werd ook de rook afgevoerd. Vroege kachels waren opgebouwd uit eenvoudige steen- en mortelmetselwerk waarin ronde potten van aardewerk werden ingemetseld. Op deze wijze vergrootte men de warmteuitstraling. In de tweede helft van de 14de eeuw kwam de nistegel in productie. In de loop van de 15de eeuw onderging de nistegel een verfijning door middel van een open siergevel van vormsnijwerk die vaak ontleend werd aan de laatgotische architectuur.

Reliëftegel
Rond 1500 werd de nistegel geleidelijk verdrongen door de reliëftegel, ook wel paneeltegel genoemd. Op dit soort tegels was het makkelijker om reliëfvormen en polychroom beschilderde decoraties aan te brengen. De tegel uit Huis ter Kleef is zo’n paneeltegel. Op de achterzijde zijn behalve roetsporen ook vaak nog de afdruk van een doek zichtbaar die men gebruikte om de tegel van de mal te scheiden. Dit is ook te zien op de Kleefse tegel. Gebruikte men in de 14de en 15de eeuw voornamelijk groen- en in mindere mate geelkleurig loodglazuur, aan het einde van de 15e eeuw lukte het de tegelbakkers ook witte, zwarte, blauwe, paarse, oranje en bruine kleuren te verkrijgen. Groenkleurig loodglazuur werd echter het meest toegepast.

Decoratie en symboliek
De ontwerpers van kacheltegels gebruikten beeldmateriaal uit hun tijd zoals houtsneden en etsen en gravures. Aan de afbeeldingen lag vaak een symbolische betekenis ten grondslag. Ze werden versierd met blad- en bloemmotieven, dieren en fabeldieren, heraldische afbeeldingen, heiligen, krijgslieden en edelen (minneparen). In de 16de eeuw waren voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament populair.
De kacheltegel van Huis ter Kleef heeft veel van het dekkende glazuur over de witbakkende klei verloren. Gelukkig is nog wel het reliëf van de decoratie te zien. Op een soortgelijke tegel, die in Utrecht gevonden is en ca. 1500 gedateerd wordt, is duidelijker te zien hoe de Kleefse kacheltegel er uit zag. De tegel heeft een architectonisch kader in de stijl van de late gotiek. Op de gedraaide zuiltjes bevindt zich een pinakel. Binnen dit kader bestaat de versiering uit distels binnen een gotische boog. De twee distelranken kruisen elkaar en eindigen in twee paar tegenover elkaar liggende bloemen. Beneden omsluiten de ranken het initiaal IHS. Helemaal onderaan bevind zich een rand waarop een golvende bladrank voorkomt.

Ook in Keulen is een soortgelijke tegel gevonden. Er zijn een paar kleine verschillen. Op de Keulse tegel komen ook sterretjes voor, en de letters IHS staan in spiegelbeeld. In Keulen zijn ook soortgelijke tegels gevonden met de letters MA. Dit staat voor Maria. Het motief van de distelrank op keramiek en kacheltegels komt in Keulen sinds omstreeks 1500 voor.

De distel is het symbool van het lijden op aarde en de zonde, vanwege de vervloeking van Adam door God (Genesis 3 : 17-18) “… is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten.”. De distel is een stekelige plant en vanwege het verband met de doornen in de passage hierboven, is het ook een symbool geworden voor het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon).

IHS
Het monogram IHS is de weergave van de eerste drie letters van Jezus in Griekse hoofdletters. In de loop der tijden werd het Grieks verdrongen door het Latijn. Men herkende in IHS geen Griekse letters meer, maar meende te maken te hebben met een Latijnse afkorting. Bijvoorbeeld Iesus Hominum Salvator’ (= Jezus de redder van de mensen). Een andere verklaring is In Hoc Signo [vinces], in dit teken [zult ge overwinnen], een verwijzing naar de droom van de Romeinse keizer Constantijn. Volgens de legende zag hij vóór de belangrijke slag bij de Milvische brug in een visioen een kruis, wat ertoe leidde dat hij zich na de overwinning tot het christendom bekeerde. Toen in de late Middeleeuwen de Jezusdevotie een grote vlucht nam, onder invloed van Bernardus van Clairvaux en Franciscus van Assisi gebruikte men het monogram graag als herkenningsteken. Vooral de H. Bernardinus van Siena [1380-1444) droeg ertoe bij. In zijn preken spoorde hij zijn toehoorders aan om de naam van Jezus te verspreiden. Letterlijk, op de gevel van hun woning en binnenshuis, als teken dat de bewoner Jezus in zijn hart had.

Bij Huis ter Kleef zijn verder geen kacheltegels of fragmenten van kacheltegels gevonden. Mogelijk zijn bij de afbraak van het kasteel de resten van de kachel met het bouwpuin afgevoerd. Individuele tegels kunnen wel secundair gebruikt zijn als decoratie en nog lange tijd de woonkamer hebben opgesierd.

Kannen met baarden!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een baardman kan.

Onder de vele scherven die tijdens de opgraving van het Huis ter Kleef (1990-1994) zijn gevonden waren ook fragmenten van een bijzonder type kan, namelijk baardmannen. Dit zijn kannen uit de 16e eeuw tot en met de 18e eeuw, met op de hals een bebaard gezicht. De kan zelf kent verschillen van vorm; klein en bol of langgerekt met brede of smalle hals. Verder komen er ook andere versieringen voor op de buik, zoals acanthusblaadjes, medaillons etc. Dit is afhankelijk van de productieplaats en de ouderdom van de kan.

Huis ter Kleef
Een van de baardmankannen van Huis ter Kleef betreft een fraaie witte baardman kan. De kan is gemaakt in het Duitse Siegburg en dateert uit de periode 1550-1573. De kan is gedecoreerd met portret medaillons en acanthusblaadjes en een decoratieve band op de buik. En uiteraard is de kan van een fraai baardman-masker voorzien. De kan is vrijwel intact. Alleen het oor van de kan ontbreekt.

Herkomst
De baardmankannen komen uit het Rijnland, met name uit Keulen, Frenchen, Raeren en Sieburg. Een kan moet van hard en niet poreus materiaal zijn. Om deze harde structuur te krijgen werden de kannen op een hoge temperatuur van 1200-1400 graden Celsius gebakken. Niet iedere kleisoort is hiervoor geschikt. In het Rijnland, rondom Keulen, werd wel de goede klei soort aangetroffen.

Brandgevaar en oorlog
Van 1540- 1560 werden de pottenbakkers vanwege brandgevaar, produceren van giftige gassen en mogelijk ook op religieuze gronden uit Keulen geweerd en zijn naar het nabij gelegen Frenchen getrokken. Omdat de pottenbakkers in Frenchen op de zelfde wijze bleven produceerden is het moeilijk om het verschil te zien tussen de kannen gemaakt in Keulen of die uit Fenchen.
Onder invloed van oorlogsgeweld zijn rond 1600 de pottenbakkers opnieuw verhuisd. Dit keer naar Stadlohn en Vreden in West-Munsterland. Hier werd de productie van baardmankannen voortgezet. De productie in Frenchen is echter niet gestopt. In Frenchen zijn dan ook de meeste kannen gemaakt.

Productie
Na het draaien en drogen van de kannen werden de baardman-gezichten en de andere decoraties op de kannen aangebracht. Met behulp van een matrijs/mal krijgt een plakje klei de vorm van het gezicht. Dit gezicht werd met behulp van dunne kleipap op de hals van de kan geplakt. Op dezelfde wijze werden versieringen als bladranken en medaillons aangebracht. Daarna werden de kannen gebakken. Soms werd op de ongebakken kruik nog een dunne kleipap (engobe) aangebracht. Het resultaat was een egaal bruin gekleurde kan. De baardmankannen zijn voorzien van een zoutglazuur (NaCl). Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw werden met behulp van kobalt ook blauwe accenten aangebracht.

Wie o wie?
Op de vraag of het gezicht op de kannen een bepaalt persoon voorstelt is niet een definitief antwoord te geven. Wel zijn er een aantal suggesties:

Bellarminus of de hertog van Alva
De naam van Robertus Bellarminus (1542-1621), jezuïet en docent te Leuven en Rome wordt wel genoemd. Omdat hij als fel verdediger van de katholiek kerk zich keerde tegen het protestantisme en drank misbruik, zou zijn gezicht op de kan bedoeld zijn om hem belachelijk te maken. Opmerkelijk is dat in het Engels de baardman kan ‘bellamine’ wordt genoemd. Het is wel jammer dat de baardmankannen al ruim veertig jaar werden gemaakt voordat Robertus Bellarminus werd geboren.
Als andere mogelijkheid, die wordt wordt geopperd is dat de kannen de hertog van Alva (1507-1582) moesten bespotten. Ook hier geld weer dat de kannen er al waren voordat Alva door koning Phillips II als landvoogd naar de Nederlanden werd gestuurd.

Karel de Grote of wildeman
Sommige vergelijken de baardman kannen met de afbeelding van Karel de Grote op een reliekenbuste, die in Aken wordt bewaard. Karel de Grote wordt hier afgebeeld met een kort golvende baard en een strak gezicht overeenkomend met het gezicht op de kannen. Een andere suggestie is dat het bebaarde gezicht op de kan Christus moet voorstellen. Er zijn kannen met drie koppen op de hals, dit zou verwijzen naar de goddelijke drie eenheid. Een totaal andere verklaring is dat het gezicht op de kan de wildeman voorstelt. De wildeman, een mythische creatie met het uiterlijk van een mens maar dan geheel behaard, die een primitief leven leidde in de natuur, was als afbeelding erg populair in de middeleeuwse kunst.

Puntneus kannen
Als afsluiting moet hier nog de puntneus kan worden genoemd. Deze wordt gezien als de voorloper van de baardman kan. Beide kannen verschillen in de vorm van het gezicht. De gezichtjes van de puntneus kan zijn geboetseerd in plaats van met een mal aangebracht.

Niets zo Haarlems als haarlemmerolie!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het haarlemmerolie flesjes.

Niets zo Haarlems als de haarlemmerolie, een huismiddel dat vooral in de herfst- en wintermaanden verlichting kan brengen bij verkoudheid, koorts en griep. Maar het werd vroeger ook bij ernstiger zaken gebruikt zoals nierstenen en open wonden, het middel werd in 1696 uitgevonden door de schoolmeester Claas Tilly en wordt nog steeds vervaardigd en verkocht onder de naam C. de Koning Tilly.

Flesjes
Het middel werd in de beginperiode aan huis verkocht en pas later in de bekende haarlemmerolie flesjes. Deze flesjes zijn in de periode 1900- 1940 in groten getale vervaardigd, gevuld en verkocht. Het middel kreeg grote bekendheid en in diverse landen was er vraag naar, zoals Duitsland, Italië, Spanje en zelfs tot in Brazilië toe. En juist deze flesjes worden regelmatig tijdens opgravingen aangetroffen. De buisvormige flesjes werden in de beginperiode voorzien van etiket en de monding werd afgesloten met een nat stukje varkensblaas. Na droging zette het stukje varkensblaas zich vast. Als extra versteviging ging hier nog een touwtje omheen. Later gebruikte men kurkjes of schroefdopjes.

Concurrenten
De flesjes werden in het begin in de gebruiksaanwijzing verpakt en vanaf de jaren dertig in een kartonnen doosje. Voor wie het kon betalen waren er ook eer fraaie blikken beschikbaar waarin de flesjes werden verpakt. Maar behalve de glazen flesjes waren al deze verpakkingen vergankelijk. De concurrenten van het haarlemmerolie merk C. de Koning Tilly roken geld en probeerde het middel na te maken en op de markt te brengen. Men plakte de naam Tilly achter hun eigen fabrieks- of handelsnaam. Het flesje werd nagemaakt met naam en al en voorzien van een etiket. Enkele concurrenten waren Waaning- Klaas- en G. de Koning Tilly. De laatste veranderde de C in een G en vestigde zich nota bene tegenover de fabriek van de echte haarlemmerolie fabrikant in de Antoniestraat, vroeger de Achterstraat geheten. Maar de concurrenten mochten de naam Tilly niet gebruiken en er werden dan ook veel processen door de echte C. de Koning Tilly aangespannen. Het meest aardige voorbeeld is de maar enkele maanden bestaande fabriek geweest onder de naam C. de Koning en Tilli. Bij navraag bleek de heer De Koning timmermansknecht van beroep en de heer P. Tilli wafelbakker in Maastricht.

Vuilnisbelten
Veel flesjes van de bekende flesjes zijn afkomstig uit vuilnisbelten, of werden aangetroffen tijdens opgravingen. De etiketten van deze flesjes zijn verloren gegaan, maar doordat de naam van de producent in het glas werd weergegeven kan worden nagegaan wie de fabrikant is. Inmiddels zijn aan de hand van de opgegraven flesjes verschillende namen bekend. Dit betreft natuurlijk allereerst de echte fabrikant: C. de Koning Tilly. Maar ook van de concurrenten zijn diverse flesjes gevonden, zoals Erdtsieck Tilly, Claes Tilly, Marseille Tilly, G. de Koning Tilly, Genuine Tilly, G.K.T, gebroeders Waaning Tilly, Haarlemmensis, Daudey Tilly, C. de Koning en Tilli, wed. Claas Tilly, Jan Boogaard en Haarlemmerolie De Koning Tilly, Holland. Sommige flesjes kregen nog een extra aanduiding mee zoals: Haarlem Holland of Made Haarlem Holland.

Van enkele fabrikanten zijn (nog) geen flesjes bekend, dit zijn: Oudthuis Tilly, Reform Tilly, Tilly Claeszoon. Maar vals of niet, of de inhoud de gebruiker heeft geholpen kan de archeologie ons helaas niet vertellen…