Een tegel met Huis ter Kleef?

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een tegel.

Stationsplein
Het zal in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw zijn geweest dat ten behoeve voor de uitbreiding van het stationsplein in Haarlem een heel blok huizen werd gesloopt. Met graafmachines werden de funderingen, beerputten en al wat er in de grond zat eruit getrokken. Wat overbleef was een grote kale plek vol met huishoudelijk- en bedrijfsafval uit voorgaande eeuwen, het duurde niet lang of op deze plek wemelde het van “ verzamelaars van antiquiteiten”. Ook een van de AWH-leden is hier toen gaan kijken en verbaasde zich over de hoeveelheid scherven, pijpenkoppen tegels enz. In een hoopje grond vond hij toen een in drie stukken gebroken tegel met de afbeelding van een ruïne, samen met wat pijpenkoppen en een bordje met een chinees erop geschilderd. De vondsten werden thuis een poosje tentoongesteld maar verdwenen na verloop van tijd in een Brabantia broodtrommel. Tijdens meerdere verhuizingen ging ook de broodtrommel met inhoud mee, waarna deze zijn plek vond in een nieuwe berging of schuur.

Opgraving
In de jaren 90 vorige eeuw keek de vinder na jaren weer eens naar de inhoud van de broodtrommel. De voorstelling op de tegel kwam hem toen in ene wel heel bekend voor, namelijk de ruïne van Kleef, waar de AWH op dat moment een opgraving had!

Op de tegel in het midden de traptoren zichtbaar, met aan de voet van deze toren een S- vormig bouwsel dat de restanten van een kelder moet voorstellen. Op de achtergrond is ook het torentje van de kaatsbaan zichtbaar. Links zien we nog een ronde toren maar die is aan de fantasie van de kunstenaar ontsproten en heeft hier in het echt niet gestaan.

Productie
Voorstellingen op tegels werden meestal ontleend aan prenten of etsen. De contouren van de voorstelling werden dan doornmiddel van gaatjes in het papier te prikken gevolgd. Deze ‘mal’ werd dan op een nieuwe tegel gelegd en met een zakje droog gekleurd poeder bestoven. Als de mal werd verwijderd bleef een gekleurd spoor achter, dat het contour van de afbeelding aangaf. Hierna werd dit spoor met een penseel met verf gevolgd. Dit wordt de trek genoemd. Na deze behandeling werd de rest van de afbeelding ingevuld. Op deze manier kon snel een voorraad tegels worden beschilderd.

Prenten
Maar terug naar de gevonden tegel, van deze voorstelling moest een prent of ets bestaan maar deze is nog niet teruggevonden. Een van de prenten die hier het meest op lijkt is gemaakt door C. Pronk rond 1740, hierop zien we ook de traptoren met het S- vormige bouwsel met een raampje of nis die ook zo op de tegel voorkomt. En op de achtergrond is het torentje van de kaatsbaan zichtbaar. C. Pronk heeft iets meer naar links gestaan met het vervaardigen van zijn ets, dan de kunstenaar die de ets maakte welke tot voorbeeld diende voor de tegel.

In 1739 maakte de kunstenaar H. Spilman een prent van het complex in nagenoeg dezelfde richting als die op de tegel. In het rechtergedeelte van de traptoren zien we nu een rij openingen zitten; voor vensters of deur. Echter het S- vormige bouwsel heeft hier zijn vorm verloren.

Kortom, of de afgebeelde ruïne op de tegel het Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin is kunnen we nog niet met zekerheid te zeggen. Het lijkt er in ieder geval wel héél erg op. En dat is op zich natuurlijk ook al een leuk verhaal!

Een kacheltegel uit Huis ter Kleef

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een kacheltegel.

Het kasteel Huis ter Kleef was in 1572 en 1573 het hoofdkwartier van de Spanjaarden tijdens het Beleg van Haarlem. In 1573 werd het kasteel opgeblazen door Don Frederik (de zoon van de hertog van Alva). Dit deed hij om te voorkomen dat de Geuzen zich in het kasteel zouden vestigen om Haarlem te heroveren. Tijdens archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw is een deel van de gracht opgegraven. Toen kwamen tussen een enorme berg scherven, een paar stukken van een kacheltegel tevoorschijn, die eenmaal aan elkaar gepast, een bijna complete tegel vormden.

Warmtebron
Tegelkachels zijn ontstaan in Centraal Europa in de 12de en 13de eeuw. Later verbreidde het gebruik ervan zich uit over Noordwest-Europa.In de Middeleeuwen verwarmde men zich in de meeste huizen bij een open vuur op de vloer of in de wandschouw. Daarnaast kwam ook een gesloten warmtebron, de uit tegels van aardewerk gemetselde kachel in gebruik. De voordelen van de tegelkachel waren: afwezigheid van hinderlijke rook, een gelijkmatiger verspreiding van de warmte en een economischer brandstofverbruik. Maar daar hing dan wel een prijskaartje aan, want de vervaardiging was heel duur. Daarom treffen we ze in de 12de en 13de eeuw vooral aan in adellijke behuizingen. Behalve in adellijke woongebouwen zoals burchten en kastelen, zijn ook resten van tegelkachels in abdijen, herenhuizen, en in belangrijke stedelijke en openbare gebouwen gevonden.

Vervaardiging
De tegelkachels bestonden uit een onderbouw waarin het vuur werd gestookt en een bovenbouw die de uitstraling van de warmte verhoogde. Ze werden met de achterzijde tegen een muur geplaatst en van brandstof voorzien door een opening in de wand. Dit gebeurde vanuit een aangrenzend vertrek, bijvoorbeeld de keuken of een buitenplaats. Via deze weg werd ook de rook afgevoerd. Vroege kachels waren opgebouwd uit eenvoudige steen- en mortelmetselwerk waarin ronde potten van aardewerk werden ingemetseld. Op deze wijze vergrootte men de warmteuitstraling. In de tweede helft van de 14de eeuw kwam de nistegel in productie. In de loop van de 15de eeuw onderging de nistegel een verfijning door middel van een open siergevel van vormsnijwerk die vaak ontleend werd aan de laatgotische architectuur.

Reliëftegel
Rond 1500 werd de nistegel geleidelijk verdrongen door de reliëftegel, ook wel paneeltegel genoemd. Op dit soort tegels was het makkelijker om reliëfvormen en polychroom beschilderde decoraties aan te brengen. De tegel uit Huis ter Kleef is zo’n paneeltegel. Op de achterzijde zijn behalve roetsporen ook vaak nog de afdruk van een doek zichtbaar die men gebruikte om de tegel van de mal te scheiden. Dit is ook te zien op de Kleefse tegel. Gebruikte men in de 14de en 15de eeuw voornamelijk groen- en in mindere mate geelkleurig loodglazuur, aan het einde van de 15e eeuw lukte het de tegelbakkers ook witte, zwarte, blauwe, paarse, oranje en bruine kleuren te verkrijgen. Groenkleurig loodglazuur werd echter het meest toegepast.

Decoratie en symboliek
De ontwerpers van kacheltegels gebruikten beeldmateriaal uit hun tijd zoals houtsneden en etsen en gravures. Aan de afbeeldingen lag vaak een symbolische betekenis ten grondslag. Ze werden versierd met blad- en bloemmotieven, dieren en fabeldieren, heraldische afbeeldingen, heiligen, krijgslieden en edelen (minneparen). In de 16de eeuw waren voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament populair.
De kacheltegel van Huis ter Kleef heeft veel van het dekkende glazuur over de witbakkende klei verloren. Gelukkig is nog wel het reliëf van de decoratie te zien. Op een soortgelijke tegel, die in Utrecht gevonden is en ca. 1500 gedateerd wordt, is duidelijker te zien hoe de Kleefse kacheltegel er uit zag. De tegel heeft een architectonisch kader in de stijl van de late gotiek. Op de gedraaide zuiltjes bevindt zich een pinakel. Binnen dit kader bestaat de versiering uit distels binnen een gotische boog. De twee distelranken kruisen elkaar en eindigen in twee paar tegenover elkaar liggende bloemen. Beneden omsluiten de ranken het initiaal IHS. Helemaal onderaan bevind zich een rand waarop een golvende bladrank voorkomt.

Ook in Keulen is een soortgelijke tegel gevonden. Er zijn een paar kleine verschillen. Op de Keulse tegel komen ook sterretjes voor, en de letters IHS staan in spiegelbeeld. In Keulen zijn ook soortgelijke tegels gevonden met de letters MA. Dit staat voor Maria. Het motief van de distelrank op keramiek en kacheltegels komt in Keulen sinds omstreeks 1500 voor.

De distel is het symbool van het lijden op aarde en de zonde, vanwege de vervloeking van Adam door God (Genesis 3 : 17-18) “… is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten.”. De distel is een stekelige plant en vanwege het verband met de doornen in de passage hierboven, is het ook een symbool geworden voor het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon).

IHS
Het monogram IHS is de weergave van de eerste drie letters van Jezus in Griekse hoofdletters. In de loop der tijden werd het Grieks verdrongen door het Latijn. Men herkende in IHS geen Griekse letters meer, maar meende te maken te hebben met een Latijnse afkorting. Bijvoorbeeld Iesus Hominum Salvator’ (= Jezus de redder van de mensen). Een andere verklaring is In Hoc Signo [vinces], in dit teken [zult ge overwinnen], een verwijzing naar de droom van de Romeinse keizer Constantijn. Volgens de legende zag hij vóór de belangrijke slag bij de Milvische brug in een visioen een kruis, wat ertoe leidde dat hij zich na de overwinning tot het christendom bekeerde. Toen in de late Middeleeuwen de Jezusdevotie een grote vlucht nam, onder invloed van Bernardus van Clairvaux en Franciscus van Assisi gebruikte men het monogram graag als herkenningsteken. Vooral de H. Bernardinus van Siena [1380-1444) droeg ertoe bij. In zijn preken spoorde hij zijn toehoorders aan om de naam van Jezus te verspreiden. Letterlijk, op de gevel van hun woning en binnenshuis, als teken dat de bewoner Jezus in zijn hart had.

Bij Huis ter Kleef zijn verder geen kacheltegels of fragmenten van kacheltegels gevonden. Mogelijk zijn bij de afbraak van het kasteel de resten van de kachel met het bouwpuin afgevoerd. Individuele tegels kunnen wel secundair gebruikt zijn als decoratie en nog lange tijd de woonkamer hebben opgesierd.

Kannen met baarden!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een baardman kan.

Onder de vele scherven die tijdens de opgraving van het Huis ter Kleef (1990-1994) zijn gevonden waren ook fragmenten van een bijzonder type kan, namelijk baardmannen. Dit zijn kannen uit de 16e eeuw tot en met de 18e eeuw, met op de hals een bebaard gezicht. De kan zelf kent verschillen van vorm; klein en bol of langgerekt met brede of smalle hals. Verder komen er ook andere versieringen voor op de buik, zoals acanthusblaadjes, medaillons etc. Dit is afhankelijk van de productieplaats en de ouderdom van de kan.

Huis ter Kleef
Een van de baardmankannen van Huis ter Kleef betreft een fraaie witte baardman kan. De kan is gemaakt in het Duitse Siegburg en dateert uit de periode 1550-1573. De kan is gedecoreerd met portret medaillons en acanthusblaadjes en een decoratieve band op de buik. En uiteraard is de kan van een fraai baardman-masker voorzien. De kan is vrijwel intact. Alleen het oor van de kan ontbreekt.

Herkomst
De baardmankannen komen uit het Rijnland, met name uit Keulen, Frenchen, Raeren en Sieburg. Een kan moet van hard en niet poreus materiaal zijn. Om deze harde structuur te krijgen werden de kannen op een hoge temperatuur van 1200-1400 graden Celsius gebakken. Niet iedere kleisoort is hiervoor geschikt. In het Rijnland, rondom Keulen, werd wel de goede klei soort aangetroffen.

Brandgevaar en oorlog
Van 1540- 1560 werden de pottenbakkers vanwege brandgevaar, produceren van giftige gassen en mogelijk ook op religieuze gronden uit Keulen geweerd en zijn naar het nabij gelegen Frenchen getrokken. Omdat de pottenbakkers in Frenchen op de zelfde wijze bleven produceerden is het moeilijk om het verschil te zien tussen de kannen gemaakt in Keulen of die uit Fenchen.
Onder invloed van oorlogsgeweld zijn rond 1600 de pottenbakkers opnieuw verhuisd. Dit keer naar Stadlohn en Vreden in West-Munsterland. Hier werd de productie van baardmankannen voortgezet. De productie in Frenchen is echter niet gestopt. In Frenchen zijn dan ook de meeste kannen gemaakt.

Productie
Na het draaien en drogen van de kannen werden de baardman-gezichten en de andere decoraties op de kannen aangebracht. Met behulp van een matrijs/mal krijgt een plakje klei de vorm van het gezicht. Dit gezicht werd met behulp van dunne kleipap op de hals van de kan geplakt. Op dezelfde wijze werden versieringen als bladranken en medaillons aangebracht. Daarna werden de kannen gebakken. Soms werd op de ongebakken kruik nog een dunne kleipap (engobe) aangebracht. Het resultaat was een egaal bruin gekleurde kan. De baardmankannen zijn voorzien van een zoutglazuur (NaCl). Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw werden met behulp van kobalt ook blauwe accenten aangebracht.

Wie o wie?
Op de vraag of het gezicht op de kannen een bepaalt persoon voorstelt is niet een definitief antwoord te geven. Wel zijn er een aantal suggesties:

Bellarminus of de hertog van Alva
De naam van Robertus Bellarminus (1542-1621), jezuïet en docent te Leuven en Rome wordt wel genoemd. Omdat hij als fel verdediger van de katholiek kerk zich keerde tegen het protestantisme en drank misbruik, zou zijn gezicht op de kan bedoeld zijn om hem belachelijk te maken. Opmerkelijk is dat in het Engels de baardman kan ‘bellamine’ wordt genoemd. Het is wel jammer dat de baardmankannen al ruim veertig jaar werden gemaakt voordat Robertus Bellarminus werd geboren.
Als andere mogelijkheid, die wordt wordt geopperd is dat de kannen de hertog van Alva (1507-1582) moesten bespotten. Ook hier geld weer dat de kannen er al waren voordat Alva door koning Phillips II als landvoogd naar de Nederlanden werd gestuurd.

Karel de Grote of wildeman
Sommige vergelijken de baardman kannen met de afbeelding van Karel de Grote op een reliekenbuste, die in Aken wordt bewaard. Karel de Grote wordt hier afgebeeld met een kort golvende baard en een strak gezicht overeenkomend met het gezicht op de kannen. Een andere suggestie is dat het bebaarde gezicht op de kan Christus moet voorstellen. Er zijn kannen met drie koppen op de hals, dit zou verwijzen naar de goddelijke drie eenheid. Een totaal andere verklaring is dat het gezicht op de kan de wildeman voorstelt. De wildeman, een mythische creatie met het uiterlijk van een mens maar dan geheel behaard, die een primitief leven leidde in de natuur, was als afbeelding erg populair in de middeleeuwse kunst.

Puntneus kannen
Als afsluiting moet hier nog de puntneus kan worden genoemd. Deze wordt gezien als de voorloper van de baardman kan. Beide kannen verschillen in de vorm van het gezicht. De gezichtjes van de puntneus kan zijn geboetseerd in plaats van met een mal aangebracht.

Niets zo Haarlems als haarlemmerolie!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het haarlemmerolie flesjes.

Niets zo Haarlems als de haarlemmerolie, een huismiddel dat vooral in de herfst- en wintermaanden verlichting kan brengen bij verkoudheid, koorts en griep. Maar het werd vroeger ook bij ernstiger zaken gebruikt zoals nierstenen en open wonden, het middel werd in 1696 uitgevonden door de schoolmeester Claas Tilly en wordt nog steeds vervaardigd en verkocht onder de naam C. de Koning Tilly.

Flesjes
Het middel werd in de beginperiode aan huis verkocht en pas later in de bekende haarlemmerolie flesjes. Deze flesjes zijn in de periode 1900- 1940 in groten getale vervaardigd, gevuld en verkocht. Het middel kreeg grote bekendheid en in diverse landen was er vraag naar, zoals Duitsland, Italië, Spanje en zelfs tot in Brazilië toe. En juist deze flesjes worden regelmatig tijdens opgravingen aangetroffen. De buisvormige flesjes werden in de beginperiode voorzien van etiket en de monding werd afgesloten met een nat stukje varkensblaas. Na droging zette het stukje varkensblaas zich vast. Als extra versteviging ging hier nog een touwtje omheen. Later gebruikte men kurkjes of schroefdopjes.

Concurrenten
De flesjes werden in het begin in de gebruiksaanwijzing verpakt en vanaf de jaren dertig in een kartonnen doosje. Voor wie het kon betalen waren er ook eer fraaie blikken beschikbaar waarin de flesjes werden verpakt. Maar behalve de glazen flesjes waren al deze verpakkingen vergankelijk. De concurrenten van het haarlemmerolie merk C. de Koning Tilly roken geld en probeerde het middel na te maken en op de markt te brengen. Men plakte de naam Tilly achter hun eigen fabrieks- of handelsnaam. Het flesje werd nagemaakt met naam en al en voorzien van een etiket. Enkele concurrenten waren Waaning- Klaas- en G. de Koning Tilly. De laatste veranderde de C in een G en vestigde zich nota bene tegenover de fabriek van de echte haarlemmerolie fabrikant in de Antoniestraat, vroeger de Achterstraat geheten. Maar de concurrenten mochten de naam Tilly niet gebruiken en er werden dan ook veel processen door de echte C. de Koning Tilly aangespannen. Het meest aardige voorbeeld is de maar enkele maanden bestaande fabriek geweest onder de naam C. de Koning en Tilli. Bij navraag bleek de heer De Koning timmermansknecht van beroep en de heer P. Tilli wafelbakker in Maastricht.

Vuilnisbelten
Veel flesjes van de bekende flesjes zijn afkomstig uit vuilnisbelten, of werden aangetroffen tijdens opgravingen. De etiketten van deze flesjes zijn verloren gegaan, maar doordat de naam van de producent in het glas werd weergegeven kan worden nagegaan wie de fabrikant is. Inmiddels zijn aan de hand van de opgegraven flesjes verschillende namen bekend. Dit betreft natuurlijk allereerst de echte fabrikant: C. de Koning Tilly. Maar ook van de concurrenten zijn diverse flesjes gevonden, zoals Erdtsieck Tilly, Claes Tilly, Marseille Tilly, G. de Koning Tilly, Genuine Tilly, G.K.T, gebroeders Waaning Tilly, Haarlemmensis, Daudey Tilly, C. de Koning en Tilli, wed. Claas Tilly, Jan Boogaard en Haarlemmerolie De Koning Tilly, Holland. Sommige flesjes kregen nog een extra aanduiding mee zoals: Haarlem Holland of Made Haarlem Holland.

Van enkele fabrikanten zijn (nog) geen flesjes bekend, dit zijn: Oudthuis Tilly, Reform Tilly, Tilly Claeszoon. Maar vals of niet, of de inhoud de gebruiker heeft geholpen kan de archeologie ons helaas niet vertellen…

Handwerk!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een plavuis met een handafdruk.

Momenteel is in het Archeologisch Museum Haarlem de fraaie tentoonstelling Schat in de stad te zien over de opgraving van het pand Grote Markt 16, het huidige smalle entreegebouw van de Verweyhal. De opgraving is begin jaren negentig door eden van de Archeologische Werkgroep Haarlem uitgevoerd. In de tentoonstelling wordt aan de hand van de vele vondsten het verhaal van de bewoners en gebruikers van Grote Markt 16 verteld. De locatie is al sinds de middeleeuwen bewoond. Uit een van de oudste beerputten is namelijk een gave middeleeuwse kookpot, een zogenaamde grape aangetroffen. Uit latere perioden zijn ook opmerkelijke vondsten gedaan, zoals een uitgebreid servies met kopjes en pijpenkoppen uit de tijd dat het pand als koffiehuis werd gebruikt. Uit deze periode stamt ook de bijzondere vondst van enkele sieraden in een van de beerputten.

Bouwmateriaal
Naast alle in het oog springende vondsten zijn er ook diverse voorwerpen opgegraven die een stuk minder spectaculair ogen, zoals bouwmateriaal in de vorm van bakstenen en plavuizen. Tijdens de uitwerking van de vele vondsten werd tussen al het bouwmateriaal een bijzondere vondst gedaan. Op twee plavuizen werd namelijk aan de achterzijde een handafdruk in tinglazuur aangetroffen. Op deze manier komt het verleden in ene wel heel dichtbij!

Handafdruk
De handafdruk aan de achterzijde van de plavuisjes geeft ons een inkijkje in het productieproces van dergelijke plavuizen. De plavuizen werden, nadat ze waren gebakken, voorzien van een laagje witte tinglazuur, het zogenaamde kwaarten. Dit glazuur was vrij kostbaar, vandaar dat de plavuizen alleen aan de zichtzijde van een laag witte tinglazuur werden voorzien. De plavuis werd in één hand schuin gehouden waardoor het overtollige glazuur er vanaf kon druipen en kon worden opgevangen. Dit moet ook zo met de plavuizen van de Grote Markt 16 zijn gebeurd. De maker had echter vuile handen gekregen en heeft hierdoor zijn eigen handafdruk achtergelaten. Ook aan de zijkant van een van de plavuizen zijn nog vingerafdrukken zichtbaar. Deze plavuisjes zijn omstreeks 1400 – 1450 te dateren.

Tentoonstelling
Wie de plavuizen en de vele andere spannende vondsten van de opgraving Grote Markt 16 wil zien, moet zeker even een bezoekje aan het Archeologisch Museum Haarlem brengen. Ideaal voor de kerstvakantie!

De helm van Duinrust

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een Duitse helm uit de tweede wereldoorlog.

In augustus 1994 verwoestte een grote brand het leegstaande voormalige Marine Hospitaal in Overveen. De restanten van het pand zijn nadien afgebroken om plaats te maken voor woningen en een parkeergarage van Résidence Vijverpark. De graafwerkzaamheden zijn door lokale deskundige Theo Nieuwenhuizen begeleid. Tijdens de werkzaamheden konden diverse funderingen van gebouwen van de blekerij Vreugdenberg (17e eeuw tot 1900) worden gedocumenteerd. Ook werd een waterput van Huize Duinrust gevonden, een rusthuis uit 1908 voor welgestelde ouden van dagen. Een van de markante vondsten betreft een Duitse helm uit de tweede wereldoorlog.

Kriegsmarine
Gedurende de bezettingsperiode was een onderdeel van de Kriegsmarine, de Duitse zeemacht, in Huize Duinrust gevestigd. Direct na de capitulatie nam de Binnenlandse Strijdkrachten Duinrust over en werd het een noodgevangenis waar tijdelijk gearresteerde NSB-ers in bewaring werden gesteld. De naam veranderde in Bewakingskamp Duinrust. In 1948 kreeg Duinrust ten slotte de functie van Marine Hospitaal.

Helm
De helm van Duinrust is Duits en van het model M40. Het is echter niet helemaal in zandkleur geschilderd, maar is gecamoufleerd waarschijnlijk met een combinatie van zandgeel, groen en roodbruin. Naarmate de oorlog vorderde kwamen gecamoufleerde helmen vaker voor. is gecamoufleerd zijn door diverse legeronderdelen gedragen, waaronder de Waffen SS, Heer, Luftwaffe en de Kriegsmarine. De laatste met name bij de Kustartillerie.

Stempel
Van de helm is zowel de stalen schaal met verfresten als het binnenwerk van leer bewaard gebleven. Het stempel in het binnenwerk is van de maker van het leer, en hoeft niet de maker van de stalen helm als geheel te zijn. Hier staat in het randschrift de naam van de maker, die blijkbaar in BRAUNSCHWEIG gevestigd was. De naams- en plaatsaanduiding geven aan dat de helm in ieder geval van voor 1942 dateert. Hierna werden namelijk alle verwijzingen naar fabrieken en plaatsen vervangen door een zogenaamd Reichsbetriebnummer. De cijfers in het midden van het stempel geven de maat van het binnenwerk en de hoofdmaat aan. Het binnenwerk (M31) was via een aluminium of zinken strip en drie splitpennen aan de stalen helm bevestigd. Aan die strip in ringvorm zaten ook de ogen waarmee de kinriem bevestigd was.

Tekst
Op de helm zijn naast restanten camouflageverf ook letters zichtbaar. De tekst op de voorzijde van de helm is echter niet organiek. Vermoedelijk is de tekst na de bevrijding op de helm geschilderd, bijvoorbeeld als aanduiding van een souvenir of tweede gebruik. Duitse helmen uit de periode 1940-1945 hebben hooguit een of twee transferplaatjes op de zijkant onder het ventilatie gat. Naarmate de oorlog vorderde werden die plaatjes steeds minder gebruikt. De enige uitzondering zijn helmen van hospitaalsoldaten (Sanitäter) waar een of meer rode kruizen in wit vlak op geschilderd zijn. Wat er precies op deze helm staat is niet goed lezen, maar het lijkt alsof er BRANDWEER staat.

 

 

Met dank aan:

Huize Duinrust, St. Lambertus Stichting 9379 [Anoniem], Noord-Hollands Archief / [collectie Braakman], [NL-HlmNHA_55017575]

De laatste afbeelding is een voorbeeld van een gecamoufleerde helm.

Rare rolletjes…

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het echter enkele rare ‘rolletjes’ waarvan we zelf nog niet weten wat het zijn. Herkent u ze?

Huis ter Kleef
Momenteel voeren de leden van de AWH met stadsarcheoloog Sem Peters in de Haarlemmer Kweektuin een booronderzoek uit, waarbij het kasteelterrein in kaart wordt gebracht. Tijdens een van de boorsessies liep een van de leden over de ruïne van het kasteel Huis ter Kleef en vond daar tussen wat los gruis bij de restanten van de noordtoren een apart rolletje van, naar het leek, baksteen, met daarin een holte van 4 cm diep. De aanwezige amateurarcheologen hadden echter geen van allen een idee van wat het was. Enkele dagen later zijn we nog even gericht bij het resterende muurwerk gaan kijken, met nog enkele vergelijkbare stukken als resultaat. Bonus daarbij was de vondst van een vergelijkbaar rolletje in het resterende muurwerk.

Specie
Het gaat naar het zich nu laat aanzien om ‘kernen’ van specie/ mortel met daaraan vastgekoekt een laagje van de omringende baksteen. De langste fragmenten zijn 7 cm en de breedte van alle fragmenten in 2 cm. Het lijkt alsof er ooit van bovenaf in de steenklomp is geboord en dat de holte met specie is opgevuld. Nu de steenklomp verder uiteenvalt, komen deze pijpjes bloot te liggen en vallen ze uiteindelijk met al het andere puin op de grond.

Oproep
De vraag is of iemand enig idee heeft wat deze rolletjes zijn, of waarvoor ze zijn aangebracht en hoe oud ze zouden kunnen zijn. En wellicht zijn er vergelijkbare situaties. Kortom, wie kent dit? Reacties zijn van harte welkom op het AWH-mailadres.

Loodjes uit de polder

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een aantal loodjes.

Eind jaren zeventig – begin jaren tachtig van de vorige eeuw zijn op het industrieterrein Waarderpolder in Haarlem enkele bergen grond gestort. Deze grond is door de heer Wim Post uitgebreid onderzocht. Hierbij werden met een metaaldetector maar liefst 125 (merk)loden gevonden. De waren waaraan deze loden oorspronkelijk hebben gehangen verschillen behoorlijk. Zo zijn er textielloodjes, merkloodjes, Joodse vleesloodjes, verzegelloodjes en accijnsloodjes aangetroffen. De loden dateren uit verschillende perioden. Zo stammen de oudste loodjes uit vijftiende eeuw en de jongste loodje uit de negentiende eeuw. Een bijzondere vondst is een loodje voor vlas uit Rusland. Op het lood staat S P B, een verwijzing naar Sint Petersburg. De loodjes zijn door de vinder aan de Historische Vereniging Haerlem geschonken en daarna aan de Archeologische Werkgroep Haarlem overgedragen.

Vondst
Gerrit_Adriaensz_Berckheyde_-_Haarlem_City_hall_with_figures_on_the_Grote_markt_-_1671_FHM_OS-I-10De vondst van zoveel loodjes bij elkaar is opmerkelijk. Het lijkt wel of iemand zijn verzameling loodjes heeft gedumpt. Mogelijk zijn al deze loden echter met grond en al afkomstig uit het stadhuis aan de Grote Markt in Haarlem, waar rond 1980 verbouwingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Bekend is dat in het stadhuis al in 1400 een lakenhal was gevestigd, in latere tijd kwam hier een Joodse (vlees)hal en een ijkkantoor bij.

Textielloodjes
Tijdens de productie van laken werden in verschillende fasen in het productieproces loden bevestigd. Zo werd het eerste lood al aan het begin bij het weven aan het laken bevestigd. Deze loden worden ook wel deelbewerkersloden genoemd. Op deze loden is meestal het wapen van de bewerker, een voorwerp of een huismerk met zijn initialen afgebeeld. Deze loodjes worden veel aangetroffen, omdat er aan elke rol textiel meerdere loodjes waren bevestigd. Als laatste wanneer het textiel door de staalmesters was goedgekeurd werd er een eindlood aan gehangen en mochten er geen bewerkingen meer plaatsvinden. Deze eindloden waren meestal voorzien van het stadswapen waar het textiel was vervaardigd. De voorschriften voor de kwaliteit van de weefsels waaraan de textielfabrikanten moesten voldoen waren omvangrijk. Ze verschilden ook per land, per stad, per tijdsperiode en per weefsel. In de loop van de eeuwen zijn zodoende in Europa vele honderden verschillende textielloden in omloop geweest.

Verzegelloodjes
De verzegelloodjes dienden om iets te verzegelen. Begin negentiende eeuw werden verzegelloodje onder andere gebruikt voor post- en geldzakken, mechanische apparatuur en meelzakken. En het is nog niet zo lang geleden dat er aan elke gasmeter een verzegelloodje hing dat men niet mocht verbreken.

Joodse vleesloodjes
De Joodse vleesloodjes werden gebruikt om ritueel geslacht vlees te markeren. Dit vlees moest uiteraard als “koosjer” herkenbaar zijn voor de kopers. De Joodse slagers werkten niet in de Vleeshal aan de Grote Markt, maar maakten gebruik van de Joodse (vlees)hal bij het stadhuis. Immers een koosjer geslachte kip hield men graag gescheiden van een geslacht varken. Vleesloodjes hingen tot voor kort ook aan de rookworsten van de Hema, maar deze loodjes hebben hun functie verloren.

Accijnloodjes
Tot slot zijn er diverse accijnloodjes aangetroffen. Ze werden gebruikt voor producten waarop accijns werd geheven, zoals vlees en drank. Op de voorzijde van accijnslo odjes is het Koninkrijkswapen dat in 1815 werd vastgesteld afgebeeld en op de achterzijde de tekst: regten & accijns soms afgekort tot R&A.

Onderzoek
De studie naar al deze loodjes is omvangrijk maar interessant en zegt ons veel over het gebruik ervan. Vooral bij de bestudering van de textielnijverheid zijn loodjes een welkome aanvulling.Vaak is het echter moeilijk om de herkomst of voorstelling van een lood te achterhalen of slaat men er maar een slag naar. Zo werd een textiellood met het fraaie wapen van de stad Stendal in Duitsland, bestaande uit een halve dubbelkoppige adelaar en rechts vier heraldische figuren, elders afgedaan als een dooie halve haan met vier eieren…

Een beschreven biscuitje

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een stukje biscuit.

Tijdens opgravingen worden vaak enorme hoeveelheden vondsten gedaan, waarvan een groot deel uit scherven keramiek bestaat. Deze scherven hebben dan al een heel leven achter de rug als kookpot, kannetje of pispot. Tijdens het dagelijks gebruik sneuvelde er gemakkelijk wat potten of pannen en was een nieuw exemplaar zo gekocht. Ook kon het zijn dat een pispot expres werd weggegooid, omdat deze na verloop van tijd sterk naar de urine begon te ruiken. Naast deze gebruikte voorwerpen vinden we heel soms voorwerpen of fragmenten die de gebruikers nooit hebben bereikt. Het gaat namelijk om misbrand of om halffabricaten.

‘t Krom
In 1988 is door de Archeologische Werkgroep Haarlem (AWH) onderzoek verricht in de Bakenesserbuurt te Haarlem. Ter hoogte van ‘t Krom 29-39 kon op de locatie van enkele gesloopte panden archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Op het terrein werden diverse ophogingslagen uit de middeleeuwen aangetroffen. Verder werden zes beerputten en waterputten op het terrein opgegraven, daterend van de veertiende tot en met de achttiende eeuw. Uit een van deze beerputten is een bijzonder fragment van een bord gevonden: een beschreven biscuitje. De scherf biscuit is aan de hand van de overige voorwerpen uit dezelfde laag in de beerput dateerbaar in de periode 1600-1650.

Biscuit
Het ‘beschreven’ fragment van het bord is een halffabricaat, biscuit genaamd. Dit is een term voor voorwerpen die door de pottenbakker één keer zijn gebakken, daarna worden beschilderd en van glazuur worden voorzien en vervolgens nog een tweede keer worden gebakken. Daarna waren de voorwerpen klaar voor de verkoop. Het bordfragment uit de beerput heeft de fase van beschildering echter niet gehaald. Mogelijk was het bord tijdens het bakken in de oven krom getrokken of gebarsten, waardoor het niet meer bruikbaar was voor verdere verwerking. De pottenbakker heeft het biscuitbord in ieder geval afgekeurd voor verdere verwerking. Eén scherf heeft hij nog gehouden en als notitieblokje gebruikt. Op de rand van het bordfragment zijn namelijk met inkt letters in combinatie met cijfers geschreven. Dergelijke vondsten zijn ook bekend uit Delft en betreffen vermoedelijk de ovenadministratie van een pottenbakker.

Pottenbakkers
Gedurende de zeventiende eeuw waren diverse pottenbakkers in en nabij de Bakenesserbuurt gevestigd of woonachtig. Mogelijk is het aangetroffen fragment met annotatie afkomstig van Adriaan Claesz. Blanckert, die in 1656 als plateelbakker in de Valkestraat wordt genoemd. De Valkestraat grenst namelijk met het perceel met het opgravingsterrein ter hoogte van ‘t Krom 29-39. Blanckert kocht het pand ‘De Vergulde Coorenmaat’ van Trijntge Paulus. Het pand wordt in 1652 vermeld en is dan in eigendom van Theunis Jansz, ‘in zijn leven Corenmaeter’. Naast het bordfragment van biscuit met annotatie, is nog een fragment van een tweede bord van biscuit en een gelobt oor van biscuit voor een papkom in dezelfde laag van de beerput aangetroffen. Het zijn stille getuigen van de pottenbakkersindustrie waar Haarlem in de zeventiende eeuw beroemd om was.

Deugden op een Siegburger snelle

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een snelle met bijzondere decoratie.

Bij de opgraving van Huis ter Kleef zijn fragmenten van meerdere snellen gevonden. Snellen zijn slanke drinkkannen van steengoed. De snelle heeft een hoge cilindrische, naar boven enigszins conisch toelopende grondvorm. De vorm is afgeleid van houten voorwerpen die kuipers maakten. Kenmerkend zijn de banden onder en boven, die lijken op hoepels die de oorspronkelijk van hout gemaakte voorwerpen bijeenhielden. Ze zijn in Siegburg vervaardigd, een plaats niet ver van Keulen. Enkele typische producten die daar gemaakt werden zijn o.a. trechterbekers en Jacobakannen. Kenmerkend is het gebruik van witte klei. In de tweede helft van de 16de eeuw komt de slanke snelle in de plaats van de Jacobakannen.

Reliëfdecoraties
De snellen zijn vaak uitbundig versierd met reliëfdecoraties. Deze fijn uitgewerkte reliëfs waren mogelijk vanwege de fijne structuur van de klei. In kleimatrijzen konden de versieringen gemaakt worden, die vóór het bakken op de snelle konden worden aangebracht. Dit worden appliques of in het Duits ‘Auflagen’ genoemd. Veel reliëfornamenten werden naar het voorbeeld van prenten of plaquettes uitgevoerd. Veel scenes kwamen uit de bijbel of de mythologie, maar ook wel uit het profane leven. Verhalen uit het Oude Testament komen veel voor en uit het Nieuwe Testament vooral de gelijkenissen van Jezus. De verhalen sluiten aan bij de alledaagse belevingswereld van de mensen. Ook werden scenes in medaillons of in ruiten aangebracht, met daaromheen ornamenten met ranken en grotesken.

Deugden
De hoge vorm van de snelle leent zich bij uitstek voor het aanbrengen van langwerpige rechthoekige appliques. Het exemplaar van Huis ter Kleef is daar een goed voorbeeld van. Hier zijn vrouwen, gedeeltelijk naakt, in draperieën afgebeeld. Het zijn personificaties van deugden. Hoe moet je abstracte begrippen zoals deugden uitbeelden? Al vanaf de Oudheid zijn deugden afgebeeld in de vorm van vrouwenfiguren met attributen om ze beter herkenbaar te maken. In de Griekse oudheid noemde Plato al vier deugden die burgers moesten bezitten in de ideale stadstaat: de vier kardinale deugden Prudentia (Wijsheid), Temperantia (Matigheid), Fortitudo (Dapperheid, Kracht) en Justitia (Gerechtigheid). Later worden daar de drie christelijke deugden aan toegevoegd: Fides (Geloof) Spes (Hoop) en Caritas (Liefde).

Caritas en Fortitudo
Als voorbeeld voor de snelle uit Huis ter Kleef hebben plaquettes van Peter Flötner (werkzaam in Nürnberg) gediend, die hij ca. 1540 heeft gemaakt. Dit zijn plaatjes van lood met een voorstelling in reliëf. Ze konden gebruikt worden als voorbeelden voor edelsmeedwerk en ook keramiek. Zo zijn ze ook gebruikt als voorbeeld voor Keuls steengoed. Dankzij de voorbeelden van Peter Flötner zijn de details ook beter te verklaren. Op de Kleefse snelle zijn Caritas en Fortitudo te herkennen. Caritas, die in een landschap staat, is de vrouw met een kind op de arm en een tweede kind aan haar voeten. Het grotere kind reikt haar een peer aan, een verwijzing naar de liefde van Christus. Het is grotendeels verdwenen maar het hoofdje en armpje met de peer is nog te zien. Het opschrift boven haar hoofd luidt: DE LIEFTDE. Het landschap van Flötner is hier gereduceerd tot een boompje.

De volgende figuur is Fortitudo de Kracht of Dapperheid, die als attribuut de zuil heeft. Ook zij staat in een landschap. Haar rechterarm rust op een stuk zuil en aan haar voeten ligt een kapiteel. Haar hoofd ontbreekt en een groot deel van de banderol boven haar hoofd. Nog wel te lezen is: D. .TE… waarschijnlijk DE STERCKEIT. Van de derde figuur is weinig over, alleen nog een kelk en een stuk van de draperie. Aan de hand van de voorbeelden van Peter Flötner komt Fides, het Geloof in aanmerking. Zij heeft als attribuut de kelk met hostie en het kruis.

De snelle uit Huis ter Kleef kan vergeleken worden met complete exemplaren van het Hetjens Museum in Düsseldorf, een keramiekmuseum. Daar zijn soortgelijke snellen in de collectie waarop bovengenoemde deugden te zien zijn. De deugd Fides heeft als opschrift DER GHELOF en het opschrift van Fortitudo kon aangevuld worden.

Tegenhangers
De deugden hadden ook tegenhangers. Tegenover Caritas staat Avaritia (Gierigheid), tegenover Fides Infidelitas (Ongeloof) en Idolatria (Afgoderij) en tegenover Fortitudo Timor (Vrees). De kerk vond vooral de ondeugden Libido (Lust) en Avaritia (Gierigheid.) het slechtst. Deugden en ondeugden konden in allerlei combinaties op snellen worden aangebracht. In het Hetjens Museum is bijvoorbeeld een snelle met Fortitudo met Hovaardigheid en Toorn te zien.

De decoraties op het steengoed hadden een betekenis voor de gebruiker. In samenhang met een humanistische vorming diende het beeld tot stichting en lering. Deugden waren er om nagestreefd te worden, voor ondeugden moest men oppassen.