Weer snoeien ruïne Huis ter Kleef tijdens NLDoet!

Tussen al het groen in de Haarlemmer Kweektuin ligt een echt kasteel verborgen. Dit is de ruïne van het middeleeuwse kasteel Huis ter Kleef. Afgelopen jaar is tijdens de nationale vrijwilligersdag NLDoet al een flink deel van de ruïne gesnoeid. Dit jaar gaan we verder met snoeien om de ruïne beter zichtbaar te maken. Helpt u ook mee?

 

Op zaterdag 16 maart a.s. doet de Archeologische Werkgroep Haarlem e.o. samen met vrijwilligers van de Haarlemmer Kweektuin en Natuur- en Milieueducatie (NME) van de gemeente Haarlem mee aan NLDoet. Door een uitgebreide snoeibeurt wordt de ruïne van het kasteel Huis ter Kleef weer zichtbaar en beleefbaar gemaakt voor de bezoekers van Haarlemmer Kweektuin. Want wie wil er nou geen leuk kasteel?

Aanmelden
U kunt zich aanmelden via: vrijwilligers@haarlemmerkweektuin.nl. Wie wil komen kijken is ook van harte welkom. We zijn van 10.00 tot 14.00 uur in de Haarlemmer Kweektuin!

Haarlemmer Kweektuin
Kleverlaan 9
2023 JC Haarlem

Een prins in brokken!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een tegeltableau.

Begijnhof
In 1975 vond op het Begijnhof een opgraving plaats. In een beerput werden verschillende voorwerpen van keramiek aangetroffen, waaronder enkele fragmenten van een tegeltableau. Op deze fragmenten zijn diverse geschilderde elementen te herkennen, zoals een deel van een harnas met een staf, een baard boven een kanten kraag en de bovenzijde van een hoofd. Van de andere fragmenten werd de versiering niet zo gauw herkend. Wie zou dit kunnen zijn? Het moest wel een persoon van aanzien zijn geweest vanwege de staf, zoals die werd gedragen door onder andere Fernando Alvarez de Toledo of Michiel de Ruyter als teken van gezag.

Digitaal opgraven
Via het internet werd al gauw duidelijk dat op het tableau prins Frederik Hendrik van Nassau staat afgebeeld. Een vrijwel exact tableau met de prins is 1619 gedateerd en voorzien van zijn naam. Makkelijker kan haast niet. Een schilderij of gravure van de prins heeft voor beide tableaus als model gediend. Maar wie was nou eigenlijk deze prins? Veel mensen weten niets van hem af, dus hierbij een kleine greep uit de vaderlands geschiedenis.

Willem van Oranje
Frederik Hendrik 1584- 1647, graaf van Nassau, prins van Oranje, was het jongste kind van Willem van Oranje en Louise de Coligny. Hij werd geboren enkele maanden nadat het gezin had moeten vertrekken uit Antwerpen. Frederik werd door zijn moeder met grote zorg opgevoed en droeg levenslang in uiterlijke en innerlijke beschaving, alsmede in zijn religieuze opvattingen het stempel van haar tolerante en vrijzinnige geest.

Militaire loopbaan
Bestemd voor een militaire loopbaan, werd Frederik door kopstukken uit prins Maurits’ keurtroepen in krijgskunde onderwezen. Ruim een jaar diende hij als page aan het Franse hof, maar in 1599 keerde hij op verlangen van de Hollandse regenten naar de Nederlanden terug.

Op de fragmenten: links een deel van een helm met pluim, geheel boven een deel van een hoofd, een baard met molensteenkraag, een deel van een gordel en als laatste een deel van een harnas met staf.

Als lid van prins Maurits’ staf nam hij al deel aan diens operaties; de slag bij Nieuwpoort (1602), belegeringen van Grave (1602), Sluis (1604) en Bredevoort (1607). Na afloop van het Twaalfjarig bestand (1621) werd hij generaal der cavalerie en vlak voor de dood van Maurits (1625) opperbevelhebber van de Staatse legers. Kort daarna werd hij diens opvolger als kapitein- en admiraal-generaal en tevens stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel.

Als “stedendwinger” vestigde hij zijn naam door de geslaagde belegeringen van onder andere Groenlo (1627), Maastricht, Sittard, Roermond (1632) en ten slotte Sas van Gent (1644). Een bezig baasje dus, die ook in de toenmalige politiek zijn mannetje stond. In 1647 stierf Frederik op 63 jarige leeftijd, een jaar voor de Vrede van Munster.

Afbeelding compleet tegeltableau:  collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Zie: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.54802

Koken in de middeleeuwen

Tijdens het archeologisch onderzoek van het kasteel Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin (1990-1994), zijn massa’s scherven keramiek gevonden. Veel van deze scherven zijn afkomstig van de potten en pannen die voor de voedselbereiding en het tafelen werden gebruikt.

Keukengerei
In de middeleeuwen werd het eten meestal in keukengerei van keramiek bereid. Keukengerei van metaal, zoals grapen (kookpotten), ketels en braadpannen waren erg duur en daarom zag je deze voorwerpen vooral bij de welgestelden en niet bij de gewone man. Zo zou het bezit van een boerenfamilie bijvoorbeeld kunnen bestaan uit kookpotten van keramiek, een paar houten nappen en schalen. Metalen keukengerei wordt echter niet vaak aangetroffen tijdens archeologisch onderzoek. Zo kennen we van Huis ter Keef slechts enkele fragmenten van metalen kookpotten. Het metaal was minder breukgevoelig en kon daarnaast als grondstof worden hergebruikt. Keramiek breekt daarentegen makkelijk en werd dan weggeworpen. De vele honderden kilo’s scherven uit de gracht van Huis ter Kleef illustreren dat er nog wel eens een potje tijdens het koken, tafelen of afwassen brak!

Koken, bakken en tafelen
Koken deed men lange tijd op een open vuur. Er werd een ketel van metaal boven het vuur gehangen, of er werd een grape bij het brandende hout/kolen gezet. Men kookte zo eenpansgerechten. De vuurplaats was in eerste instantie vaak in het midden van de ruimte, zodat deze werd mee verwarmd. Stenen huizen en kloosters kenden gemetselde schouwen tegen de wand, met een schoorsteen voor de rookafvoer naar buiten.
Naast koken werd ook gegrild, gerookt en in de oven gebakken. De oven werd eerst van binnen met takkenbossen warm gestookt. Daarna werd de oven schoongeveegd en vervolgens werden er broden in gebakken. Deze hadden de hoogste temperatuur nodig. Na het bakken van de broden was de temperatuur van de oven gedaald en werden er etenswaar in gebakken die niet zoveel warmte nodig hadden, bijvoorbeeld pasteien of taarten.
Het eten werd vervolgens op grote schalen opgediend en gezamenlijk opgegeten. Broodpap en soep gingen in kommen die men eveneens deelde. Van oudsher werd brood gebruikt om van te eten. Tijdens de maaltijden werden ook vaak de lepels gedeeld.

Ontwikkelingen
De middeleeuwen beslaan een periode van 1000 jaar. Kan je dan nog over een middeleeuwse keuken spreken? En is het logisch om over zo’n lange periode over één type keuken te spreken? Als je bedenkt dat er in deze periode weinig verandering was in de manier waarop men kookte, is het niet verwonderlijk dat heel lang min of meer op de dezelfde manier werd gegeten en dezelfde gerechten werden bereid. Er was geen ontwikkeling in de gerechten. Met andere woorden, naarmate de middeleeuwen vorderde zie je nauwelijks vooruitgang in de kookkunst. Het karakter en de verfijning van de gerechten werd bepaald door de kringen waarvoor het gerecht bedoeld was. Je zou kunnen zeggen dat de sociale achtergrond werd weerspiegeld in de gerechten die men at.

Smaak
Om de smaak van de middeleeuwse keuken te begrijpen moet naar de kookkunst van het Romeinse Rijk worden gekeken omdat deze nog lang na het verval van het Romeinse Rijk zijn invloed heeft behouden. De Romeinse smaak was hartig en gekruid met kruiden uit het Middellandse zeegebied. De gerechten waren mild van smaak. De scherpe specerijen uit Oost Azië werden vrijwel niet gebruikt.
Sinds de Karolingische tijd heeft de smaak zich sterk veranderd. De handel van Venetië met het Oosten is hier voor verantwoordelijk. In de 10de en 11de eeuw waren de schepen klein en de meeste winst was te behalen met niet veel plaats innemende artikelen die ten gevolge van hun zeldzaamheid heel kostbaar waren. De Aziatische specerijen voldeden hier aan. Deze werden vanuit het Oosten naar Klein-Azië gebracht en verder met schepen naar Venetië. Van hieruit werden ze over het land naar het noorden verhandeld, waar ze op de jaarmarkten werden geruild voor bijvoorbeeld Vlaams laken. Het gaat hier om bijvoorbeeld foelie, kruidnagel en een artikel uit Klein- Azië, saffraan. Een ander luxe product uit het Oosten, dat sinds de kruistochten in West -Europa gangbaar werd is de rietsuiker. Dit heeft gemaakt dat de middeleeuwse keuken, in tegen stelling tot de romeinse keuken, rijke stevige smaken heeft ontwikkeld zoals zuur en zoet en dat de gerechten stevig gekruid zijn.

Kookboeken
Het is niet bekend hoe nu precies de specerijen de smaak langzamerhand ingrijpend hebben beïnvloed en veranderd. Wat wij over recepten uit de middeleeuwen weten, is afkomstig uit kookboeken van de 14de en 15de eeuw. Van de periode voor de 14de eeuw ontbreken de kookboeken. Het eerste beroemdste kookboek was van de opperkok van de Franse koning Karel V. Dit dateerde uit omstreeks 1370. Het oudste kookboek uit de Nederlanden is uit 1510 genaamd Een notabel boexcken van cokeryen.

Rijk en arm
Wij hebben dus vooral een beeld wat de rijken aten. Op tafel van de rijken kwamen de meest lekkere gerechten terecht zoals pasteien gevuld met vis of vlees en iedere maaltijd bestond uit meerdere gangen. Over hoe de plattelands- en stadsbevolking zich heeft gevoed is niet veel te zeggen omdat daarover veel informatie ontbreekt. Dat de gewone man niet altijd kon rekenen op een gevarieerde maaltijd is zeker. Men kan vermoeden dat zij brood, graanpap, reuzel, worst en vis aten. Eventueel aangevuld met groenten zoals uien en kool. Waarschijnlijk werd er weinig tot geen fruit gegeten omdat dit niet als gezond werd beschouwd. Archeologische vondsten zouden hier een aanwijzing kunnen geven uit de botten en pitten die gevonden worden.

Eetpatroon
Zowel rijk als arm at twee keer per dag. Aan het einde van de ochtend en aan het einde van de dag. Verder werden de kerkelijke voorschriften gevolgd zoals de vastentijd voor Pasen (geen vlees en geen zuivel) en geen vlees op de vrijdag. Er werd dus veel vis gegeten en eieren. Als bijgerecht was brood belangrijk. Wit brood bij de welgestelden en roggebrood bij de armen. Melk werd niet gedronken. Hier werd kaas en boter van gemaakt. Wijn werd alleen door de rijken gedronken en bier door zowel de armen en de rijken. Kinderen begonnen er al op jonge leeftijd mee.

Voor de middeleeuwen kan je dus zeker zeggen ”de mens toont wie hij is door wat hij eet”.

2018: een jaar vol archeologie!

Archeologie is eigenlijk één groot jaarverslag over het verleden: van de verre prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog. Een overzicht van slechts één jaar lijkt dat ook een speldenprikje in de tijd. Maar wie terugblikt op afgelopen jaar ziet dat er weer ontzettend veel is gedaan: van opgravingen tot publieksactiviteiten als NLDoet, Open Monumentendag en de Nationale Archeologiedagen. Kortom, 2018 was weer een fantastisch archeologisch jaar!

Veldwerk
Al zeer vroeg in jaar hielpen de AWH-leden enthousiast mee bij het archeologische onderzoek in de Haarlemmer kweektuin, waar zich de restanten van het kasteel Huis ter Kleef bevinden. Tijdens de aanleg van nieuwe nutsvoorzieningen werd door archeologisch Bureau BAAC een begeleiding uitgevoerd, waarbij muren en delen van de omringende gracht van de voorhof in kaart konden worden gebracht.

Een ander project waarbij leden van de AWH assisteerden is het onderzoek van Gierstraat 35. Behoud van het bouwvallige pand was niet mogelijk, maar dankzij de inspanningen van Team Archeologie van de gemeente Haarlem
kon het pand voorafgaand aan de sloop bouwhistorisch worden onderzocht. Na de sloop werd door archeologisch bureau ADC een onderzoek op het terrein uitgevoerd. De AWH hielp zowel bij het veldwerk als het wassen van de vondsten uit de aangetroffen beerput.
Tot slot werd onder auspiciën van Team Archeologie Haarlem in de Haarlemmer Kweektuin booronderzoek uitgevoerd. Door het zetten van grondboringen is de ondergrond van het kasteelterrein in kaart gebracht. Hierdoor is er meer inzicht in de relatie tussen de bodem en het gebruik van het terrein, van de prehistorie tot de Nieuwe Tijd.

Binnenwerk
Gedurende het hele jaar is gewerkt aan het puzzelen van de scherven keramiek en glas van diverse opgravingen. Naast het bekende meerjarige project kasteel Huis ter Kleef werd in de Bakenesserkerk geassisteerd bij het puzzelen van de scherven uit de beerputten van de Koningstraat en Gierstraat. Dankzij het geduldig puzzelen konden vele voorwerpen worden gereconstrueerd en gedateerd. Hierdoor hebben we bijgedragen aan een beter beeld van de bewoners van de locaties en gebruikers van de voorwerpen door de tijd heen. Het gruis uit de beerput van Gierstraat 35 werd aansluitend uitgeplozen en leverde vele kleine voorwerpen op als kraaltjes, kledinghaakjes, scherfjes, pitjes, pijpensteeltjes en zelfs stukjes zeventiende eeuws (wc-)papier!

Publieksactiviteiten
Het is altijd dankbaar werk om kennis en enthousiasme voor archeologie met het publiek te delen. Zo gaven leden van de AWH een lezing over de opgraving van de locatie Grote Markt 16, het smalle pandje pal naast het Archeologisch Museum. Over de vondsten en verhalen van deze opgraving werd door Team Archeologie in het Archeologisch Museum een leuke tentoonstelling gemaakt. En tijdens de Winterfair in het Kweekcafé in de Haarlemmer Kweektuin gaf een van de leden een presentatie over koken in de middeleeuwen. Hierbij werden ook echte middeleeuwse voorwerpen getoond die enkele meters verderop in de kasteelgracht waren opgegraven.
Met hulp van het publiek werd in samenwerking met de dienst Natuur Milieu Educatie (NME) van de gemeente Haarlem tijdens de landelijke vrijwilligersdag NLDoet de ruïne van het kasteel Huis ter Kleef in de Haarlemmer Kweektuin van bramenstruiken en struikgewas ontdaan, waardoor de ruïne weer zichtbaar en beleefbaar is voor het publiek.

Traditiegetrouw waren de leden van de AWH weer present tijdens de landelijke Open Monumentendag en de Nationale Archeologiedagen. Het thema ‘Europa’ van de Open Monumentendag werd luister bijgezet in de Haarlemmer Kweektuin. Op een standje kon het publiek opgegraven voorwerpen uit de gracht van het kasteel Huis ter Kleef bekijken. Veel van deze voorwerpen bleken afkomstig uit diverse Europese landen.
Voor het eerst mocht het publiek tijdens de Nationale Archeologiedagen onder begeleiding van archeologen van Team Erfgoed van de gemeente Haarlem en leden van de AWH zelf aan de slag met de kort daarvoor opgegraven scherven uit de beerput van Gierstraat 35. Veel Haarlemmers hadden de smaak al snel te pakken en wisten van een hoopje scherven weer fraaie voorwerpen te puzzelen. Het directe contact met het verleden werd als zeer uniek ervaren!

Bouwhistorie
Een nieuwe loot aan de stam is de in 2018 opgerichte Werkgroep Bouwhistorie Haarlem van de AWH. Naast de ondergrond is er bovengronds namelijk nog veel te ontdekken. De werkgroep heeft zich bezig gehouden met het oefenen van opmetingen en archiefonderzoek voor diverse locaties, waaronder een kelder van een particuliere woning en een heel bouwblok in het centrum van Haarlem. Het bouwblok herbergt mogelijk nog delen van een van de vele middeleeuwse kloosters die Haarlem rijk was.

Communicatie
Zelf bezig zijn met archeologie is fantastisch, maar het delen van alle ontwikkelingen en ontdekkingen met andere belangstellenden is natuurlijk nog veel leuker! Zo hebben we regelmatig op onze website berichten geplaatst, waaronder 10 keer de Vondst van de Maand. En via onze Facebook-pagina deden we wekelijks verslag van onze werkzaamheden. In totaal zijn er afgelopen jaar maar liefst 115 berichtjes op de Facebook-pagina geplaatst!

Samenwerking
Het jaar 2018 was een buitengewoon succesvol jaar, vol archeologie en fijne contacten met het publiek en de vele archeologen waarmee we hebben samengewerkt. Veel dank gaat dan ook uit naar de fantastische collega’s van Team Archeologie van de gemeente Haarlem!

Alweer een walvisbot aangetroffen in Bloemendaal!

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een walvisbot.

In het najaar van 2018 vonden er op het landgoed Leyduin in de gemeente Bloemendaal grondwerkzaamheden plaats ten behoeve van de herinrichting van het landgoed. Dit betrof voornamelijk de aanleg van nieuwe toegangspaden, een nieuwe oeverovergang aan de noordzijde van de Kromme Vaart en een tweetal vijvers om amfibieën te laten overwinteren. De ontgraving van de vijvers is door een lid van onze werkgroep archeologisch begeleid. Tijdens het ontgraven van een van de vijvers werden een aantal fragmenten van een walvisbot aangetroffen. Dit is de tweede keer dat in de gemeente Bloemendaal zo’n walvisbot is aangetroffen.

Spek en walviskaken
Het is bekend uit historische bron dat walvisvaarders in de 17e eeuw na het verwijderen van het spek ook de walviskaken mee terug naar huis namen. Tevens is bekend dat er vanaf de 16e eeuw meldingen zijn van een aantal strandingen, voornamelijk van potvissen. Kaken waren van potvissen waren meestal tussen de 3.00 en 4.00 meter lang en voorzien van 40 tot 50 grote kogelvormige zwaar ivoren tanden. Deze tanden werden door de zeelieden gegraveerd en van prachtige taferelen voorzien. Ook werden er sier- of gebruiksvoorwerpen van de tanden gemaakt.
Aan boord van het schip of aan land werd aan de onderzijde van het walvisbot een aantal gaten geboord om de zogenaamde ‘kneekolie’ te verzamelen. Deze olie was zeer geschikt als lampolie.

In een van de aangetroffen walvisbotfragmenten werd een boorgat aangetroffen. Dit gat is aangebracht om kneekolie te winnen.

Van schuurpaal tot toegangspassage
De walviskaken afkomstig van walvisvaarders en die van gestrande walvissen werden verkocht en gebruikt als schuurpalen voor het vee, grenspalen en als toegangspassage bij boerderijen en buitenplaatsen. De aangetroffen fragmenten van het walvisbot op het Landgoed Leyduin kunnen onderdeel zijn geweest van een erfafscheiding, toegangspoort of ‘schuurpaal’ voor het vee. De locatie van het gevonden bot maakte in de 17e eeuw onderdeel uit van de buitenplaats.

Locatie aangetroffen walvisbot in het rode omcirkeld gebied (midden, boven). Fragment uit de kaart uit 1687 van Dou en Van Broeckhuysen, collectie Hoogheemraadschap Van Rijnland, A-4302.

Buitenplaats Vreedelust
In 1996 werd bij grondwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouwwijk het Bleekersveld te Overveen reeds een fragment van een walvisbot aangetroffen. (zie ook Haarlems bodemonderzoek nr. 35). In het bot zaten eveneens boorgaten om de kneekolie te winnen. De ouderdom van het bot is aan de hand van de C-14 methode (ouderdomsbepaling aan de hand van koolstof) gedateerd in de 18e eeuw. Na historisch onderzoek van het gebied bleken deze gronden in de 18e eeuw onderdeel te zijn geweest van de buitenplaats Vreedelust, later geheten Het Anker, gelegen aan de Bloemendaalseweg. Het fragment van het aangetroffen bot/kaak zou onderdeel geweest kunnen zijn van de walviskaken op onderstaande prent.

Een tekening door J.W.Hasselt uit 1816 van de Blauwselfabriek ‘Het Anker, voorheen was hier de buitenplaats Vreedelust gevestigd, mogelijk waren de walviskaken hier een restant van. Noordhollands Archief, Atlas 36/23

 

Gebrandschilderd glas

De naam zegt het al; gebrandschilderd glas is vensterglas dat is beschilderd met een verfsoort, grisaille genaamd, dat door verhitting op het glas werd inbrand. Gebrandschilderd glas komt al voor sinds de middeleeuwen maar was voor de gewone man onbetaalbaar om aan te schaffen. Alleen in geestelijke instellingen en door rijke personen werd het gebruikt.

Mode
In afgelopen eeuwen vonden veel mensen het gebrandschilderd glas vaak oubollig en het hield ook licht tegen. Er werd vaak voor gekozen om de fraaie glaspanelen te vervangen voor kleurloos glas. Veelal werd het glas in lood uit de sponning gehaald, waarbij het glas werd stukgeslagen en het lood werd verzameld, want hier had je immers nog wat aan. Je kon er vislood van gieten of het lood verkopen bij de ijzerboer. Ook het glas werd verzameld en weer omgesmolten.

Glasvondsten
Een enkele keer wordt bij een opgraving dergelijk glaswerk aangetroffen, soms in enorme hoeveelheden, zoals in Roermond, waar een 1.200 kilo glas werd geborgen uit een kelder, en in Alkmaar 200 kilo uit een tonput. In mindere kilo’s werden ook vondsten gedaan in Zutphen en Oldenzaal. Vondsten van gebrandschilderd glas zijn in Haarlem zelden gevonden. Tot nu toe zijn in 50 jaar tijd maar twee complexen opgegraven, waarbij meerdere stukken van dit glas werden aangetroffen. Bij de opgraving Huis ter Kleef in de jaren 1990-1994 werden wat fragmenten aangetroffen uit de 15e eeuw en tijdens onderzoek in 1970 in de Frankenstraat zijn fragmenten uit de 17e eeuw gevonden.

Verwering
Soms is het glas niet aangetast door het lange verblijf in de grond en zijn de kleuren en beschildering in goede conditie. Maar als het glas is verweerd is het ondoorzichtig geworden en zelfs met een sterke lamp erachter kan vrijwel niets meer van de brandschildering worden waargenomen.

Strijklicht
Een goede manier om de brand-beschildering toch te bekijken en digitaal vast te leggen is om het glas wat schuin te houden waardoor met strijklicht van zon of lamp de contouren van de beschildering zichtbaar worden. Daar waar de grisaille is ingebrand is het glas dof, de rest van het glasoppervlak heeft wat glans gekregen door het strijklicht.

Gruis
Maar soms is het glas dusdanig aangetast dat het na verloop van tijd uiteenvalt in een hoopje klein gruis en vele glittertjes. We kunnen hier toch niet veel tegen doen, als we het glas impregneren zal in veel gevallen de grisaille-tekening wegvallen…

Een laat-neolithische bijl uit Haarlem

In deze rubriek wordt elke maand kort en krachtig een bijzonder, apart of juist heel gewoon opgegraven voorwerp belicht. Deze maand betreft het een laat-neolithische bijl.

In de zomer van 1986 kreeg de Archeologische Werkgroep Haarlem gelegenheid om onderzoek te doen op de plek waar de Haarlemse Auto Centrale (HAC) had gestaan aan de Jansweg nr. 9-15. De gebouwen van de HAC hadden geruime tijd leeggestaan en werden de laatste jaren door krakers bewoond die beruchte feesten gaven.

Strandwal
Het onderzoek naast het spoor en op zichtafstand van het Station Haarlem lag op de oostflank van de strandwal. Deze strandwal waarop de stad Haarlem zich ontwikkelde ligt noord-zuid georiënteerd. De voor Haarlemse begrippen grote opgravingsput werd droog gehouden door een bronbemaling, die één van de werkgroepsleden ’s morgens om acht uur aanzette, zodat wij bij aanvang van de opgraving droge voeten hielden. Het deed denken aan een grote zandbak waarin zich diverse sporen aftekenden.

Akkerlagen
Er werden twee akkerlagen gevonden, die door verstuiving van elkaar gescheiden waren met daarin duidelijke ploegsporen. Daarnaast waren diverse greppels en kuilen waar te nemen waaronder enkele paalkuilen. De sporen die hier werden gevonden dateren uit de late Steentijd circa 1800 voor Christus. Het aardewerk dat gevonden werd was van het type klokbeker en een enkel stuk wikkeldraad. Naast vuursteenafslagen kwamen er ook knoopschrabbers uit de grond. De vlakken werden geschaafd met z’n allen op een rij, waarbij het zand naar achteren werd weggewerkt.

Bijl en pijlpunt
Die zaterdag was het een mooie en heldere dag, de scheppen schoven makkelijk door het zand van de strandwal met zo hier en daar een tik als een steentje of vuursteen werd geraakt. De schep van een van de gravers raakte iets hards en voorzichtig werd er met de troffel verder geschaafd en daar kwam tot ieders verrassing een kleine bijl tevoorschijn. Helemaal rood gekleurd door de vochtige ondergrond. Later verkleurde hij naar zacht rose en grijsblauw. Het was helemaal een goede dag want op een later moment werd een prachtige pijlpunt door een van de andere werkgroepsleden gevonden. Een dag om nooit te vergeten.

De laat-neolithische bijl is te bewonderen in de vaste opstelling van het Archeologisch Museum aan de Grote Markt in Haarlem.